PARALLELEN UND KONVERGENZEN IN DER RELIGIONSGESCHICHTE
PARALLELS AND CONVERGENCES IN THE HISTORY OF RELIGION

1          Gleicher präreligöser Untergrund
2.         Zeitliche Parallelen in
Hellas, China, Israel, Persien und Indien
3.         Sachlichen Parallelen: vita religiosa
4.         Brahman, Tao, Logos
5.         Atman, pneuma
6.         Erlösungsdualismus
7.         Die mystische Regung
8.         Heilandskult
9.         Theologische Betrieb
10.       Einheit und Verschiedenheit des religiösen Triebes
11.       Vergleich und Unterscheidung
12.       Unterscheidung der westlichen und östlichen Religionsentwicklung
13.       Beispiel: Origenes und indische Theologie
14.      
Rudolf Otto’s wezenlijke ervaringen van het heilige in India
15        Klaas Schilder over Rudolf Otto's boeken West-Östliche Mystik, Indiens Gnadenreligion und das Christentum, Sünde und Urschuld, Siddhânta des Râmânuja en             Vischnu-Nârâyana.

 

Rudolf Otto’s meest beroemde boek is zonder meer Het heilige. Met dit boek bereikte hij het grote publiek.Wat minder bekend zijn Rudolf Otto's boeken West-Östliche Mystik, Indiens Gnadenreligion und das Christentum, Sünde und Urschuld, en ook kleinere tekstuitgaven van oosterse mystiek, bijvoorbeeld Siddhânta des Râmânuja, 'Texte zur indischen Gottesmystik', of ook Vischnu-Nârâyana.
Op allerlei punten worden in deze boeken overeenkomstige of gemeenschappelijke trekken aangewezen tussen de mystici van het Westen, bijvoorbeeld Eckehart, Suso, Hugo van St. Victor, Nicolaus Cusanus en anderen, en Japanse, boeddhistische en Indiase mystici en wijzen, tussen de bhakti-religie en het christendom.
Natuurlijk onderkend Otto de verschillen tussen het christendom en deze oosterse religies, maar de overeenkomsten zijn talrijk. Met name het onberedeneerbare moment geeft verbinding. De mystiek moet wel verbinding leggen tussen de christelijke en andere religies, want volgens Otto heeft zij toch altijd een uiterlijk kenmerk en hij schrijft:

Dit kenmerk is het nu minder dan weer sterker en soms zelfs hartstochtelijk optredende afwijzing van een begripsmatige bepaalbaarheid van het religieuze object zelf. Het toont zich hierin dat ook de religieuze voorstellingsmiddelen als ontoereikend gevoeld worden om haar ten volle uit te drukken. Ze vatten het moeilijk bevattelijke bij de rand en dringen door in het zonderlinge en voor onze rede wonderlijke gebied. Ze benaderen het buitenredelijke, het wonderbaarlijke of gaan daarin geheel op en worden dan loutere ‘afbeeldingen’ van het onberedeneerbare.

Otto geeft aan dat de verschillende vormen van mystiek uiteindelijk samenhangen met en opkomen uit dieper liggende grondbeschouwingen, waaruit dan in een bepaalde omgeving een bepaald type van mystiek zou zijn opgekomen:

'Denn keine Mystik wölbt sich im Blauen, sondern jede steht unter einem Grunde den sie selber nach Kraften leugnet, und von dem sie dennoch immer erst ihr besonderes und mit anderswo gewachsenem Mystiken niemals identischen Wesen erhalt.'

Zo blijft Otto nuchter genoeg om te protesteren tegen een versmelting van de verscheidene vormen der mystiek. Hij is het nog niet eens met
Luzac's Oriental Religions Series, in zoverre deze serie de gedachtewereld van het Oosten indringen wil in de filosofische categorieën van het Westen, ja ze zelfs daarmee verwisselen wil. Evenmin wil Otto meegaan met het door ons reeds besproken monisme van Haeckel, of met de klassieke theorieën over de verhouding tussen lichaam en ziel waarin het lichamelijke en geestelijke stuk voor stuk met elkaar corresponderen zonder in wisselwerking te staan, zodat elke gebeurtenis op het lichamelijk gebied steeds door een geestelijke gebeurtenis wordt beantwoord en omgekeerd (psychofysisch parallellisme; Spinoza, Leibniz, Fechner).

Rudolf Otto legt op de overeenkomsten grote nadruk en de verschillen tussen ware en valse religie door deze beschouwingen niet doorbreekt. Zijn standpunt komt uiteindelijk neer op het spreken van
'Parallelen und Konvergenzen in der Religionsgeschichte', zoals hij dat zegt in zijn boek Das Gefühl des Überweltlichen.
Het is volgens Otto absoluut onjuist de 'geradezu erstaunliche Parallelbildung' die je constateren moet bij vergelijking van oosterse en westerse religies zo maar te verklaren uit 'Entlehnungen und Herübernahmen': 'Nicht mit Entlehungen sondern mit Parallel- und Konvergenzbildungen haben wir es hier zu tun.' Deze wet der parallellie is volgens Otto in de Religionsgeschichte algemeen. Ze is te verklaren uit de algemeenheid van het godsdienstig gevoel, en daaruit ontspringt dan ook zijns inziens de zogenaamde 'Vorreligion'. Deze laatste is nog wel niet een wezenlijke religie, maar toch werkt daarin al een elementair numineus gevoel, dat later de religie ontwikkelt.
Zo valt de overeenkomst tussen
Pythagoras in het Westen en Kungfutse in het Oosten op. In Israël treden als parallelverschijning met deze twee de profeten Elia tot Deutero-Jesaja en Ezechiël op. Bij de Perzen is er de werkzaamheid van Zoroaster. Overal vindt je volgens Otto overeenkomsten in de bepaling van de verhouding tussen transcendentie en immanentie, in de behoefte aan verlossing, in ideeën en idealen, in ascese, en ook in de vormen van de zogenaamde verlossingsmystiek. Want omdat Otto niet van de openbaring uitgaat die buiten ons zou liggen en van buitenaf tot ons komen moet, maar van de religieuze persoon zelf, kan hij in overeenstemming met de Romantiek en Schleiermacher ook deze zogenaamde verlossingsmystiek algemeen maken. De verering van het heilig hart van Jezus, de met name middeleeuwse geestelijke erotiek, waarbij de ziel een relatie heeft met Jezus, vindt volgens Otto overeenkomsten in allerlei oosterse religies. Ook daar kent men immers incarnaties van de godheid; overeenkomsten met Salomo en Sulamit in het Hooglied:
"Ja auch der Krischna-Kult kennt das zärtliche Gekose mit dem 'Kindlein', den Kult des Bambino."
In soortgelijke zin herkent Otto dan ook overeenkomsten in de theologie. Ook deze overeenkomsten kan hij door zijn standpunt waarmaken, omdat de theologie verklaard wordt uit de mens.

Alles samengevat heeft, volgens Otto, men steeds te maken met de convergentie der typen in de religie, dit dan als gevolg van '
die zugrunde liegende einheitliche, gemeinsame Anlage der Menschheit überhaupt'. Typen van zeer verscheidene soorten en klassen van dieren en planten kunnen, zoals Otto in herinnering brengt, soms zo zich wijzigen dat ze al meer op elkaar gaan lijken in gestalte en ook in functie, ja dat ze tenslotte 'in Endformen ausgehen von überraschende Übereinstimmungen'. Welnu, zoiets gebeurt naar zijn mening ook op het erf van de godsdienstgeschiedenis. Alleen maar: men late zich hier waarschuwen door de historie. Ten onrechte heeft men immers vaak uit de convergentie der typen al te voorbarig geconcludeerd tot de afhankelijkheid van het ene ten aanzien van het andere type. Uit convergentie heeft men al te gemakkelijk geconcludeerd tot descendentie. Deze fout wreekte zich, zegt Otto, en daarom wil hij er zich voor wachten op het gebied der Religionsgeschichte. Men gaat terug op de algemene religieuze aanleg van alle mensenleven.
''Religion' gestaltet sich geschichtlich in 'Religionen', die untereinander [..] einheitlich aber auch [..] individuell besondert sind [..]. Ihre generische Einheitlichkeit schließt, wie bei allen anderen Anlagen des menschlichen Geistes auch, die spezifische Sondergestaltung nicht aus sondern ein.'
Het is duidelijk dat Otto's standpunt leiden moet tot het verdwijnen van grenzen tussen ware en valse religie. De laatste tijd is dit al duidelijker naar voren gekomen, toen Otto bijvoorbeeld naar Zinzendorf wees als naar de ontdekker van wat Otto noemt de sensus numinis.
Zinzendorf heeft in 1745 een voordracht gehouden:
Naturelle Gedanken vom Religions-Wesen. Hier wordt dus door Zinzendorf een bepaald 'Wesen', een algemeen wezen der religie aangenomen en dit algemene wezen openbaart en verwerkelijkt zich dan verder in verscheiden vormen van concrete religies. Min of meer gaf Zinzendorf dus het project reeds aan van een fenomenologie der religie, waarin naar oermomenten en naar wezensmomenten van het religieuze gevoel gezocht werd, en waardoor Zinzendorf een voorloper werd van Schleiermacher.
Dit laatste interesseert ons, omdat bij Schleiermacher, zoals al boven opgemerkt is, het gevoel als onmiddellijk tegenover de reflectie als middellijk staat, en daardoor de sensus, het gevoel, in de religie aanwezig wordt geacht als religieus gevoel, dat onafhankelijk is van het reflecterende denken (vergelijk wat eerder is gezegd over Fries, Schleiermacher en Otto). Op het standpunt van Otto in zijn beroep op Zinzendorf komt het er dus voor de beantwoording van de vraag of ergens waarlijk religie is niet op aan, na te gaan of het religieuze subject een zuivere dan wel onzuivere theologie volgt in zijn reflecteren. De sensus numinis immers wordt zowel door Otto als door Zinzendorf aanwezig geacht ook bij de verst verwijderde heidenen, losgemaakt van hun voorstellings- en denkinhoud, daarvan onafhankelijk gemaakt en dan voorts gepredikt als '
geschichtlicher Ursprung der Religion'.
Door dit standpunt in te nemen wil Otto ontkomen zowel aan het naturalistisch evolutionisme als ook aan de opvatting van Wilhelm Wundt, die in zijn
Völkerpsychologie en ook in zijn Mythos und Religion de religie heeft afgeleid uit het animisme. Over de evolutiegedachte op dit terrein hebben we al gesproken. Zij zoekt in verscheidene religies de gevolgen van een innerlijke ontwikkeling en pleegt daarbij in het midden te laten of alle concrete religies uit een enkele voorhistorische religie zouden ontsproten zijn dan wel of de verscheiden 'Religionsfamilien', zoals Tiele/Söderblom het uitdrukt, 'aus ebenso vielen nur ideell verwandten und selbständig entstandenen Religionen entsprungen sind.'
Wat verder het zo even reeds genoemde standpunt, de hypothese van het animisme namelijk, betreft, op dit standpunt leidt men de religies van de zogenaamde geciviliseerde soorten af van het animisme. Men meent dat er in de religie van de zogenaamde historische volken nog heel wat overblijfsel van achtergebleven is. De aanhangers deze hypothese leggen dus alle nadruk op het hoge belang van het kennen der animistische voorstellingen (voorstelling tegenover sensus numinis van Otto). Als grondvorm van die alle wordt dan aangegeven het animatisme of het animisme. Het animatisme wil, om met
Tiele en Söderblom te spreken, alles 'nach Analogie des Menschen als lebendiger Wille betrachtet' zien en het eigenlijke animisme probeert alle leven en beweging en natuurverschijnselen te verklaren uit de werking van zielen of geesten.
Het is dus duidelijk dat Otto zich zowel van de ene als van de andere hypothese heeft losgemaakt. Tegenover Wundts mening brengt hij dit bezwaar in, dat het niet aangaat met Wundt vol te houden dat bij de volkeren levende voorstellingen tenslotte godsvoorstellingen zijn geworden, en dat nu daaruit de religies kunnen verklaard worden. Want niet van voorstellingen, maar van bepaalde '
elementare Erlebnisakten' moet men uitgaan, volgens Otto, wil men in de godsdienstgeschiedenis en godsdienstfilosofie het wezenlijke treffen. Deze Erlebnisakten zijn volgens Otto totaal onafhankelijk van de voorstellingen die men zich vormt. In dit standpunt herkennen wij weer de eerder besproken opvatting van Otto, dat het gevoel onmiddellijk is en als mystieke intuïtie veel hoger is te taxeren dan de reflectie, die fouten maakt.

'Das Erschrecken auf weiter Haide, in der Mittagsglut weiter Steppen oder im Schauer der Nacht setzt wiederum nicht eine vorhergehende 'Vorstellung' eines Geistes oder Dämon voraus sondern kann völlig spontan hervorbrechen und sich nachträglich etwa in jene Vorstellung hüllen oder es kann sich auch ganz ohne irgendeine Konkretisierung des vermeinten Grundes des Erschreckens behaupten und wiederholen [...]. Das Einheits-Erlebnis des indischen Mystikers setzt nicht konkrete Gedanken-gebilde voraus [...]. Es geht allen Vorstellungsbildungen voran [...]; und zu ihrem Verständnis hilft uns keine Völkerpsychologie sondern grade im Gegenteile allein die Seelenkunde höchst individueller Gemüts-veranlagungen ganz individuell Begabter'.

Nu Otto zich zowel van het evolutionisme als van de animistische hypothese heeft losgemaakt, betekent inderdaad zijn opvatting iets nieuws. Maar over van de vraag of het christendom zich als ware religie tegenover de andere religies handhaven kan, leidt Otto's standpunt tot hetzelfde negatieve resultaat als de hierboven besproken meningen. Uit de kring van Otto wordt al meer materiaal aangedragen voor de stelling, dat de tussen het Oosten en het Westen zolang beweerde tegenstelling moet worden losgelaten, en men gaat tevens al verder in het leggen van contact tussen Oost en West, ook in het reconstrueren van de oudste geschiedenis van het christendom. Met name diegenen die door het kerkelijk christendom als ketters zijn veroordeeld worden als dragers van oosterse motieven verklaard en dan ook min of meer in bescherming genomen. Zo heeft Otto in zijn boek over de sensus numinis een afzonderlijke verhandeling gegeven over Origenes en de Indiase theologie, en op de Eranos-conferentie van 1933 zocht men ook naar oosterse invloeden of overeenkomsten bij het nestorianisme.
Deze verklaring van de religieuze verschijnselen uit een mystisch, apriori gegeven religieus gevoel zal dan ook kunnen leiden tot een al verder doordringend besef dat de geschiedenis van het christendom tenslotte beheerst wordt in zijn hoogtepunten door kapitale vergissingen. Op die hoogtepunten immers heeft het verscheidene malen bepaalde ketters veroordeeld, die toch eigenlijk slechts parallelle verschijningen waren van in andere, met name oosterse, religies opkomende religieuze voorstellingen of werkingen, die bestemd waren om van elders toch weer op te komen in de kerk.
De overeenkomst tussen Oost en West wordt door Otto verklaard uit 'eine Gesetzlichkeit [...] die auf gemeinsames Funktionieren der Allgemeinpsyche und auf intime Einheitlichkeiten der Kulturmenschheit deutet, die mehr funktionelle Übereinstimmungen als Austausche sind.'

[Schilder, Klaas (Kampen 19 dec. 1890 – aldaar 23 maart 1952), Nederlands gereformeerd theoloog, predikant en hoogleraar aan de gereformeerde Theologische Hogeschool te Kampen. Schilder was een scherpzinnig theoloog en onvermoeid polemist. Zijn strijd tegen het nationaal-socialisme kostte hem maandenlange gevangenisstraf in 1940 en een verschijningsverbod van zijn blad De Reformatie. Schilder had ook kritiek op Kuypers leer van de pluriformiteit van de Kerk en die van de gemene gratie. In 1944 werd hij door de synode van de Gereformeerde Kerken geschorst en later afgezet, omdat hij weigerde de binding aan een bepaalde doopleer (nl. de leer van de veronderstelde wedergeboorte bij de doop van een kind) te erkennen, die zijns inziens schoolswetenschappelijk was en het oecumenisch karakter van de Kerk aantastte. Zijn beroep op art. 31 van de Dordtse kerkorde, waarin het recht om bepaalde besluiten van de generale synode niet ‘voor vast en bondig’ te houden omschreven is, werd door de synode afgewezen. Schilder riep daarna op tot vrijmaking van deze synodale besluiten, hetgeen leidde tot de constituering van de Gereformeerde Kerken in Nederland (Vrijgemaakt), aanvankelijk genoemd: Gereformeerde Kerken onderhoudende art. 31 K.O. Schilder zette vervolgens zijn werk als hoogleraar voort aan de Theologische Hogeschool van deze Kerken te Kampen.

WERK: Kerktaal en leven (1923); Licht in de rook (1923); De openbaring van Johannes en het sociale leven (1924); Bij dichters en schriftgeleerden (1927); Christus in zijn lijden (3 dln., 1930); Zur Begriffsgeschichte des ‘Paradoxon’ mit besonderer Berücksichtigung Calvins und des nach-Kierkegaardschen ‘Paradoxon’ (1933; diss.); Wat is de hemel? (1935); Looze kalk (1946); Bezet bezit (1946); Heidelb. catech. (4 dln., 1947–1951); Christus en cultuur (1948); Om woord en kerk (3 dln., 1948–1951).

UITG: Verzamelde werken (1954 vv.), d. G. Harinck, K. Schilder (1890–1952). Een keuze uit zijn werk (1989).]