

In de onderstaande lijst staan de locs die op mijn modelbaan gaan rijden of gereden hebben.
The following list contains the
locs on my layout.
In dieser liste stehen der locs die auf meiner modellbahn laufen.
| Merk en fabrieksnummer | Type | Achtergrond | Tijdperk |
| Brawa 0471 | Köf II DRG |
In 1932 sloten de
"Deutsche Reichsbahn Gesellschaft" (DRG) en de leveringsfabrikanten Kraus-Maffei,
Deutz, Jung en O & K een overeenkomst die de basis vormde voor de eenheidslocomotief
van het type II KO/KÖF. Uit deze overkomst volgde dat de DRG bijna 1900 stuks van dit
type geleverd kreeg. Op ongeveer elk station, industrieterrein enz werden deze locs
ingezet. In 1976 begon een versnelde uitdienststelling van dit type loc. KO betekent: een kleine locomotief met dieselmotor en een standaard versnellingsbak. KÖF betekent: een kleine locomotief met dieselmotor en een hydraulische versnellingsbak. |
Foto |
| Brawa 0210 | E 95 |
Voor het
geëlectrificeerde traject tussen Breslau Bockau naar Arnsdorf bij Dresden had de DR
midden 20-er jaren een snelle krachtige locomotief nodig. De lok moest een treklast
aankunnen van 2200 ton en moest personentreinen met een snelheid van 65 km/u
aankunnen. De bestaande locs konden niet aan deze specificaties voldoen. Er volgde een totaal nieuw ontwerp. De gevraagde trekkracht betekende dat er minsten zes aangedreven assen moesten zijn. Eind 1927 leverde AEG 6 locomotieven aan de DR. De overigen volgden halverwege 1928. De machine was als dubbellocomotief uitgevoerd met twee identieke helften. Het vermogen bedroeg 2418 kW. Met een lengte van bijna 21 meter en een eigen gewicht van 138.5 ton was dit de grootste en zwaarste Duitse E loc. |
Foto |
| Fleischmann 4077 | BR 78 | De echte locomotief had een vermogen van 838 kW en woog 106 ton. In beide richtingen haalde de 78 een snelheid van 100 km/u. De loc is gebouwd door de fa. Henschel in Kassel. Hij werd gebruikt voor allerlei diensten. Meer dan 500 stuks zijn er van dit type, dat zeer geliefd was bij het personeel, gebouwd. |
Foto |
| Fleischmann 4142 | BR 24 | Deze locomotief had een vermogen van 677 kW en woog 99 ton. Vooruit kon deze loc een snelheid van 90 km/u ontwikkelen. Dit type werd vooral ingezet op de zijlijnen en had zeer goede rijeigenschappen. |
Foto |
| Kato 30701 | VT 877 |
"Der Fliegende
Hamburger" bereikte in testritten in 1933 een snelheid van 175 km/u. Dit treinstel
werd ingezet op het traject Berlijn - Hamburg. In 2 uur en 18 minuten werd de afstand
van 286 kilometer afgelegd. Voor die tijd een geweldige prestatie. Dit 2'Bo'2' type haalde uit de Maybach V-12 moter een vermogen van 410 PK. Dit type wordt gezien als de basis van de huidige dieselelectrische treinstellen. |
Foto |
| Liliput L104000 | 18.3 |
In het begin van
de 20e eeuw was er weinig concurentie op het Duitste spoorwegennet. De vraag naar
steeds meer internationale verbindingen deed de vraag naar een betrouwbare
snelheidslocomotief toenemen. Na meerdere min of meer gelukte ontwikkelingen ging de opdracht naar de fa. Maffei in München. Het tijdstip van de eerste levering van deze locomotief viel samen met het ontstaan van de Deutschen Reichsbahn. De eerste machine werd in 1918 aan de Badische Staatsbahn geleverd en de laatste in 1920 aan de Deutschen Reichsbahn. In totaal werden 20 locomotieven van dit type gebouwd. Het hoogtepunt voor dit type was tijdens de Reichsbahntijd toen de loc ingezet werd voor de "Rheingold". |
Foto |
| Liliput L106201 | BR 62 |
Deze
personentenderlocomotief van het Type 62 behoorde tot het bouwprogramma van de
zogenaamde "Einheitslokomotiven" van de Deutschen Reichsbahn. De loc was ontwikkelt
voor sneldiensten en personenvervoer op de korte hoofdtrajecten. In 1927 werd aan de
fa. Henschel in Kassel de opdracht gegeven om 2 locs te bouwen. De loc moest
sneldiensten en personenvervoer kunnen trekken van 530 ton met een snelheid van 100
km/u. Verder moest de loc hellingen van 10% kunnen nemen met een snelheid van 40 km/u.
De diameter van de aandrijfwielen (1750 mm) bleek goed gekozen te zijn om aan de eisen
te voldoen. De machines werden geplaatst in Meiningen,Saßnitz, Elberfeld en Düsseldorf. De Cylinders van deze loc waren dezelfde als die van de BR 44 001 tot 010. |
Foto |
| Liliput 17704 | ETA | Deze akkuwagen werd ingezet op de lijnen waar het niet loonde om de lijn volledig te electrificeren. Tussen 1908 en 1910 werden de eerste akkuwagens in bedrijf genomen. De wagens waren uitgerust met akku's waarmee een afstand van ca 100 kilometer gereden kon worden. Na de tweede wereldoorlog werden de ETA-wagens van de DB door de fa RAW te Limburg omgebouwd en gemoderniseerd. daarbij kregen zij de wijnrode kleurstelling die tot de uitdienststelling (1957) gehandhaafd bleef. |
Foto |
| Piko 50037 | BR 95 |
De "Halberstadt-Blankenburger-Eisenbahn
(HBG) ging in 1920 over op de 1,E1' geconstrueerde locomotieven voor hun steile
trajecten. Na enkele proeven besloot de "Preußische Staatseisenbahn" de fa. Borsig de
opdracht tegeven deze locomotieven te bouwen. De uitlevering begon in 1922 als de BR 77. Door het omnummeringsplan van de DRG kreeg de lok het typenummer Br 95 in 1925. Totaal leverde Borsig 45 locomotieven. Omdat de DR lange tijd niet buiten de BR 95 kon werden in1966 de meeste van dit type locs omgebouwd voor oliestook. Pas in het begin van de jaren 80 maakte de BR 95 plaats voor de BR 119. |
Foto |
| Piko 50040 | BR 82 | De BR 82 werd het nieuwe type goederenlocomotief dat de typen BR 94 en BR 87 moest gaan vervangen in 1949. De locs waren bestemd voor het goederenvervoer. Tot 1955 werden 41 locs gebouwd. De laatste BR 82's (040 en 041) werden uitgerust met een "Riggenbach-Gegendruckbremse" waardoor ze ingezet konden worden op de steile trajecten van Rastatt naar Freudenstadt. |
Foto |
| Rivarossi 1374 | BR 96 | De fa. Maffei kreeg van de Bayerische Staatsbahdn de opdracht een locomotief te bouwen voor de steile hellingen op de trajecten in Zuid Duitsland. Het moest een sterke loc zijn met een relatief lage asdruk. De ontwerpers losten de technische problemen op en tussen 1913 en 1914 werden 15 stuks van de GT 2 x 4/4, de grootste Malletloc ooit, afgeleverd. Alle locs, inclusief de tien geleverd na de eerste wereldoorlog, werden eigendom van de Deutschen Reichsbahn. In 1926 werden de hogedrukcylinders herzien en werd de zandkast in 2-en gesplitst. |
Foto |
| Rivarossi 1375 | BR 96 | Dit is de uitvoering van de BR 96 in de groen zwarte kleuren van de Bayerischen Staatsbahn. De laatste 96-er werd in 1948 buiten dienst gesteld. |
Foto |
| Rivarossi 1339 | BR 10 01 | De twee locomotieven, de 10 001 en 002, waren door de DB bedoeld voor de zware passagiers exprestreinen. Het idee was een vervanging te hebben voor de BR 01 en BR 03 maar dit idee werd niet verder ontwikkelt omdat er in de tussentijd een nieuw aandrijfsysteem was ontwikkelt. De 10 001 was een gestroomlijnde stoomloc wat de luchtweerstand minimaliseerde. De loc was uitgerust met de nieuw ontwikkelde ketel van de BR 01 (1953). De loc werd gebouwd door de fa.Krupp in Essen. De topsnelheid bedroeg 140 km/u. De loc had een gewicht, zonder water, van 118.9 ton. |
Foto |
| Rivarossi 1337 | 3-1173 | De pacific 3-1173 CHAPELON van de "Compagnie du NORD" Deze prachtige stoomloc van voor het SNCF tijdperk heeft ondermeer de befaamde Compagnie Internationale des Wagons-Lits et des Grand Express Européens aan de de haak gehad. |
Foto |
| Roco 43255 | BR 98.3 |
De lokaalspoor
tenderlocomotief van het Bayrischen type PtL 2/2, de latere 98.3 van de DB en DR werd
ontworpen voor het gebruik op de korte, vaak enkele kilometers, trajecten van het
Bayerischen spoornet. Vanaf 1906 produceerde de lokomotievenfabriek Kraus in München een groot aantal verschillende 2-assige lokaalspoorlocs met steeds als terugkerend kenmerk de plaatsing van de machinistenruimte rond de ketel. Deze lok kreeg als bijnaam "Der Glaskasten". Er werden 29 machines van dit type gebouwd. De loc kon een snelheid van 50 km/u ontwikkelen en had een vermogen van 154 kW. |
Foto |
| Roco 43208 | BR 80 |
De
rangeer-tenderlocomotief van het type BR 80 behoorde tot een van de eerste
eenheidslocomotieven van de DRG. Het rangeren met trajectlocs was erg oneconomisch en
men begon met het ontwikkelen van een zuinige rangeerloc. 39 stuks werden er gebouwd
tussen 1928 en 1929. Om een gunstige verhouding te krijgen tussen de belastbaarheid
van de ketel en om gewicht te besparen werden aandrijfwielen gebruikt vmet een
diameter van 1100 mm. Deze diameter was vanwege de geringe topsnelheid ( ca 45 km/u)
precies goed gekozen. Na 1965 waren alleen nog op het terrein van de werkplaats Schweinfurt locs van het type BR 80 te zien. |
Foto |
| Roco 43271 | BR 74 |
Met het ontwerp
van de BR 74 kreeg men een 3-voudig gekoppelde passagiersloc voor de "Berliner
Stadtbahn". Begin 1900 kreeg de "Uniongießerei" in Köningsberg Preußen de opdracht tot
de bouw van de BR 74. Vanaf 1903 leverde deze firma de nieuwe 1'Cn2 passagierstenderlocomotief T 11 aan de Preußische Staatsbahn. Tegelijkertijd werd eenzelfde machine ontwikkelt met extra verhitte stoomaandrijving. Na 4 locs te hebben uitgeprobeerd viel na 3 jaar testen de beslissing ten gunste van de extra verhitte stoomaandrijving. In 1905 begon daarmee de serieproduktie van de Preußische T12 die met diverse tussentijdse wijzigingen tot 1921 gebouwd werd. In totaal bestelde de Preußische Staatsbahn 974 machines. Naast de Preußische bestelden diverse andere Duitse Staatsbanen machines van dit type. Na de grondlegging van de DR werden de T12's overgenomen en kregen deze machines het type BR 74 mee. Na de tweede wereldoorlog konden zowel de BRD als DDR vele machinen blijven gebruiken. Bij de DB werd de laatste machine die een snelheid van 80 km/u kon ontwikkelen, in 1968 uit de dienst genomen. De loc woog 67 ton. |
Foto |
| Roco 43220 | BR 57 | Ten tijde van de eerste wereldoorlog had de toenmalige Königlich-Preußische-Eisenbahn-Verwaltung (KPVE) een betrouwbare goederenlocomotief nodig voor het vervoer van zware transporten. Deze als de destijds als G10 bekendstaande goederenloc, werd bij de fa. Henschel ontwikkeld. de eerste machines werden in 1910 geleverd. Gedurende een periode van 14 jaar werden de locs geleverd , tot de oprichting van de DRG. Tot 1925 werden 2589! machines van dit type gebouwd. De, als later bekendstaande BR 57, is beroemd geworden om zijn robustheid en ongecompliceerdheid. In de jaren'70 moest ook de Br 57 het afleggen tegen de electrische en diesellocs. |
Foto |
| Roco 43203 | BR 58 |
In tegenstelling
tot de DB kon de DR het zich niet veroorloven om het type 58 op tijd naar de sloper te
sturen. De oorzaak daarvan was de overbrenging na 1945 van talrijke hoogwaardige locs
van Oost-naar West-Duitsland, de komende deling van Duitsland was daarvan de voorbode. De 58 was echter een sterke loc voor de goederendienst en kon dus bij de wederopbouw van Oost-Duitland goede diensten bewijzen. Enkele van deze locs bleven tot 1976 in dienst. Op 30 juni 1920 rolde de 2000e locomotief de fabriek van Linke-Hoffman uit, een 1E-driecylinder goederenloc van het Type G12 voor de Preußische Staasbahn. |
Foto |
| Roco 43249 | BR 23 |
Aan het einde van
de 30-er jaren ontstond het idee om een loc in serie te gaan bouwen. Uit het type BR
50 werden uiteindelijk de BR 23 ontwikkelt. Echter door de tweede wereldoorlog kwam
het niet tot produktie. Na de oorlog besloot men bij zowel de DB als bij de DR om aan
de BR 23 verder te bouwen. Van 1950 tot 1959 werd de BR 23 geleverd. De laatste met nummer 105. De 23-er werd in heel Duitsland voornamelijk ingezet op het zware personentreinverkeer vaak voor express- en sneltreinen. Zelfs zware goederentreinen stonden op het programma. Van de nieuwbouwlocomotieven was dit zeker de eleganste en de mooiste. De locomotief werd geleverd door de fa. Jung. |
Foto |
| Roco 43243 | BR 01 |
Stoomlocomotief
van het type BR 01 van de DRG. De tweecylinder locs van dit type gelden als de eerste
sneltreinlocs die na de zogenaamde eenheidslocs zijn gebouwd. De eerste versie had nog
grote Wagner windlei-platen, de lucht-en voedingspompen zaten nog voor de rookkamer.
In de loop der tijd verhuisden deze naar het midden van de loc zodat een vrij uitzicht
op de baan ontstond. Toen werden ook windlei-platen van het type Witte aangebracht en de voetplaten grotendeels gewijzigd. De eerste locs hadden loopwielen van 800 mm doorsnee en konden 120 km/u volhouden. Vanaf nummer 01 102 werden de loopwielen met een doorsnee van 1000 mm toegepast, de remmen werden versterkt en de maximum snelheid steeg tot 130 km/u. Later kregen de locs gelaste tenders. |
Foto |
| Roco 43240 | BR 01 |
Toen na de eerste
wereldoorlog de Deutschen Reichsbahn opgericht werd stond de DR veel verschillende
lokaalspoor locomotieven ter beschikking. Op 1 november 1922 werd door de DR een standarisatiebureau opgericht met de opdracht eenduidige richtlijnen op te stellen voor de bouw van nieuwe locomotieven. De DR zat verlegen om een betrouwbare sneltreinlocomotief. De eerste van deze eenheidslocomotieven werd in 1925 aan de DR overgedragen. Het type werd tot 1938 aangepast/gebouwd door de firma's Borsig, Henschel, Hohenzollern, Schwarzkopf, AEG en Krupp. Er zijn verschillende optische varianten; 50 stuks van dit type werden na 1945 uitgerust met nieuwe ketels, De grote Wagner - Windlei-platen werd vervangen door de kleinere Witte- windlei-platen. Verschillende locs worden voor olistook aangepast (DDR). De loc had een gewicht van 170.6 ton en een vermogen van 2240 pk. |
Foto |
| Roco 43260 | BR 44 |
Toen in 1922 het
standarisatieburo werd opgericht om de baanexploitatie te stroomlijnen kwam de
behoefte aan een 1E goederenloc aan de orde. Er werd besloten tien- tweecylinder locomotieven te bouwen als de BR 43 en 10 driecylinder- lopcomotieven te bouwen als de BR 44. In de jaren 1926/1927 werden deze machines overgedragen aan de DR. Diverse firma's waaronder Krauß-Maffei, Henschel, Krupp, Borsig en Schwarzkopf bouwden deze machines. In Frankrijk werd de BR 44 gebouwd door Schneider & Cie- Crousot. In de hersteljaren na de tweede wereldoorlog ontstonden bouwvarianten maar altijd in dezelfde afmetingen. Een aantal locs werd omgebouwd voor oliestook. Tot in de 70-er jaren deed dit type dienst. |
Foto |
| Roco 04126A | BR 43 | Zie BR 44 |
Foto |
| Roco 04126A | BR 42 | Deze stoomlocomotief met de asopstelling 1'D'h2 kwam oorspronkelijk als BR 41 uit de fabriek. Tussen 1936 en 1941 werden 366 locs van dit type gebouwd. De loc kon een snelheid van 90 km/u ontwikkelen met een vermogen van 1442kW. Bij de DB werden na de tweede wereldoorlog 40 locs van een nieuwe gelaste ketel voorzien. Bovendien vond de aanpassing naar oliestook plaats. Deze loks kregen het nummer BR 042 mee. |
Foto |
| Roco 43262 | BR 44 | De oorspronkelijke BR 44 met kolentender. |
Foto |
| Roco 43011 | BR 601 |
Dieseltreintype Vt
11.5 van de DB. Eind 1957 kwamen de eerste treinstellen van dit type op het TEE-net in
dienst. Trans Europ Express was een initiatief van de toenmalige NS-president Ir. F.Q
den Hollander. Elk land bouwde zijn eigen treinstellen. Na de komst van de
Intercitytreinen op het DB-net, verhuisden de TEE-treinstellen naar deze diensten. Begin jaren 70 werden deze treinstellen aangepast voor de binnenlandse Intercity diensten. In plaats van het TEE-logo kwam het IC-logo op de kop te staan. |
Foto |
| Roco 43660 | E 18 DR | In 1933 gaf de toenmalige DRG de opdracht een locomotief te ontwikkelen voor de zware sneltreidiensten. Reeds 2 jaar later werd de eerste machine van het nieuwe type E 18 door AEG afgeleverd. De locomotief bewees zijn betrouwbaarheid in de praktijk. De topsnelheid lag op 150 km/u. Tot 1945 werden 53 locs in dienst gesteld. 41 locs bleven na de tweede wereldoorlog in WestDuitsland waarvan de laatste midden jaren '80 uit dienst werd genomen. |
Foto |
| Roco 43427 | E 91 DR | Eloc E91 van de DRG zonder kopdeuren. Na 1918 werden 34 van deze locs voor de zware goederendienst in gebruik genomen. Ze kwamen pas in 1925 in dienst op het netwerk. Twintig loks hadden kopdeuren en kwamen in Zuid Duitsland in depots. De overige 14 , zonder kopdeur , gingen in Silezië rijden. De kast van de loc was in 3 delen uitgevoerd, de delen waren met vouwbalgen en overgangsinrichtingen met elkaar verbonden. De aandrijving geschiedde door twee motoren over "Blindweilen"met Winterthur-aandrijving. De maximum snelheid lag op 50 km/u. De loc had een vermogen van 2200 kW |
Foto |
| Roco 43032 | E 44 DR. | Type E 44 van de DRG met de asopstelling Bo'Bo'. Tussen 1932 en 1954 werden van deze machine voor de gemengde dienst 187 exemplaren in dienst gesteld. Het vermogen was 2200kW. |
Foto |
| Roco 43483 | E 94 | De DR bestelde in 1940 lokomotieven voor de zware goederendiensten van het type E 94. Van dit type met de asopstelleng Co'Co' werden tot 1945 146 machines in dienst gesteld. Na de oorlog konden delen van lokomotieven + de reserveonderdelen samengesteld worden. Van 1954 tot 1956 bestelde de DB meerder machines van dit type. De locs hebben een vermogen van 3000kW en ontwikkelen een topsnelheid van 90 km/u. De laatst gebouwde mavhines , vanaf 1970 kunnen een snelheid van 100 km/u volhouden. Dit type locomotieven wordt nog tot de dag van vandaag voor het personenverkeer en overslaggoederen ingezet. |
Foto |
| Roco 43514 | E 71 | De locomotief van het Type E 71 is de voormalige Pruisische EG 511-537 serie. Tussen 1914 en 1921 werden totaal 27 van deze locs op de zijlijnen ingezet. Na 1945 verhuisden een aantal locs naar de Basel Badische Bf om op de Wiesen- en Wehrtalbaan te gaan rijden. De locs hadden een vermogen van 590kW en hadden een snelheid van 65 km/u. |
Foto |
| Roco 04145 A | BR 132 |
De DR bestelde
voor het personenvervoer op de trajecten in Bavaria locomotieven van met een
asopstelling 1'C 1' . Nadat de order was geplaatst bouwden BBC ( Brown-Boveri & Co) en
Maffei 29 locs tussen 1924 en 1926. Twee 12-polige motoren waren gekoppeld door middel van een tandwielkast. De overbrenging van het vermogen op de baan vond plaats door platte drijfstangen op de aandrijfassen te plaatsen. De opbouw van de loc was symetrisch met platte hoeken en, karakteristiek voor Bayerische machines, had kopdeuren met verbindingsbruggen. Later werden deze bruggen verwijderd. In 1932 werden 8 machines met een andere overbrenging gebouwd. Deze machinen konden 90 km/u volhouden. Tot 1945 werden 4 locs uit de dienst genomen. De overige locomotieven liepen tot in de 60-er jaren In Bayern en Zuid Duitse trajecten. |
Foto |
| Roco 43522 | V200 | Als gevolg van de goede ervaringen met de diesellocomotieven van het type V 80 ging de DB begin jaren '50 door met het ontwikkelen van een krachtige betrouwbare diesellocomotief voor het sneltrein, personen en goederenvervoer. De aandrijving van de V 80 werd door middel van verdubbeling en vergroting van het motorvermogen. N jaren van testen werden vanaf 1957 81 machines in 2 leveringstermijnen in dienst gesteld.Overigens is de V200 aandrijvingstechnisch een verdubbeling van de V 100. |
Foto |
| Roco 43644 | V 100 | In een samenwerkingverband tussen Mak en BZA München werden vanaf 1956 de V 100 als eenmotorige dieselhydraulische met draaisetellen uitgeruste locomotief gebouwd. De loc had een versnellingsbak met een motor van 1100 pk. Van het type met 1100 pk werden 364 stuks gebouwd. 381 werden uitgerust met een 1300 pk motor. |
Foto |
| Roco 43508 | Be 4/6 II | Electrische locomotief 12320 van het type Be 4/6 van de SBB. Deze loc is uitgerust met een kopdeur en overgangsbrug. Tussen1920 en 1923 werden 40 stuks van dit type gebruikt op de Gottardroute. Deze loc is "te gast op mijn baan". |
Foto |
| Roco 43501 | E 626 FS | De E 626 heeft dienst gedaan in Italië en Jugoslavië. Dit tyoe had een apart gemonteerde compressor. Deze loc behoort tot de tweede versie van dit type. |
Foto |
| Roco 43216 | BR C | Vanaf 1909 waren locomotieven van het type C op de Württembergischen Staatsbahnen te zien. Door hun elegante uitvoering kregen ze de bijnaam "Die schöne Württembergerin". Tot 1921 werden 41 C locomotieven door de fa. Esslingen gebouwd. Een deel van deze machinen kwam nog in het bestand van de DB voor. Tot 1955 deden een aantal machines dienst. De maximum snelheid bedroeg 120 km/u. Het vermogen was 1840 pk.( 1354 kW) |
Foto |
| Roco 43065 | ET 85 |
Dit electrische
treinstel met motorwagen stuurstand en een extra rijtuig had een asopstelling van
Bo'2. In 1927/28 werden voor het voor-stadverkeer in Duitsland 32 van deze stellen in dienst genomen. Het vermogen was 500kW waar het treinstel 75 km/u uit ontwikkelde. Bij de DB hebben deze treinstellen tot in 1978 dienst gedaan. Als aanvulling werden rijtuigen 2e klasse besteld die in dezelfde kleuren als het treinstel werden gespoten. |
Foto |