|
Ik word wakker, open mijn ogen, rek mij eens lekker uit en werp een blik op de wekker. Het is elf uur, zie ik. Naast mij op het nachtkastje staat mijn ontbijt al klaar. Die lieve mevrouw Spaa toch. U moet weten dat ik behoorlijk ziek ben en nog zeker drie dagen het bed moet houden. Niet dat ik dat nu zo erg vind. Een weekje uitrusten lijkt me niet verkeerd. En mevrouw Spaa, mijn hospita, zorgt uitstekend voor me. Zodra ik het ontbijt op heb, pak ik een sigaret, steek hem op en leun behaaglijk achterover. Ik luister naar het zingen van de vogels en het geraas van passerende auto's. Na een poosje word ik weer overvallen door vermoeidheid. Ik doof de sigaret, draai me op mijn zij en val spoedig in een diepe, verkwikkende slaap. Het is vier uur 's middags als ik weer wakker word. Ik open langzaam mijn ogen en ga rechtop in bed zitten. Het eerste wat me opvalt is dat mijn ontbijt nog steeds op dezelfde plaats staat als waar ik het vanmorgen heb neergezet. Een dergelijk slordig gedrag ben ik niet gewend van mevrouw Spaa. Dan valt me de stilte op. Een stilte als in een grafkelder, een loden stilte, kil en zwanger van de dood. Ook buiten het huis is geen geluid te horen. Het is overal doodstil geworden. Stilte voor of na de ramp? Waar is iedereen? Zijn ze gevlucht, vermoord of houden ze zich gewoon stil? Ik put troost uit het feit dat ik niet alleen thuis ben. Beneden mij woont nog een oude vrouw, die al jaren aan bed is gekluisterd. Plotseling wordt de stilte verbroken, zacht en aarzelend. Een geluid als het getrippel van een vogel bereikt mijn oor. Iets of iemand loopt de trap op. Ik kan de treden tellen, een, twee, drie... Het moet nu ongeveer op de eerste verdieping zijn, waar de kamer van de oude vrouw is. Het geluid stopt. Een deur zwaait krakend open en dan heerst opnieuw een doodse stilte in het huis. Het getrippel begint weer. Ik hoor nu ook een zacht brommen, een zoort zoemen bijna. Het vult de ruimte, mijn oren, mijn geest. Hou op, in godsnaam, hou op! Juist als ik wil gaan gillen, houdt het plotseling op. Andere geluiden worden hoorbaar. Ik hoor geschuifel, het omvallen van een stoel. De oude vrouw? Plots snerpt een kreet door het huis. Een vrouw gilt het uit. Mijn God, wat gebeurd er? Ik hoor het rochelen van iemand die sterft. Paniek neemt bezit van mij. Ik tril over mijn hele lichaam. Het zweet barst uit mijn poriën. De stilte, die volgde op de dood van een medemens wordt opnieuw uiteengereten. Wat eerst nauwelijks hoorbaar was, is nu veranderd in een afschuwelijk luid en monotoon getik. Het geluid zwelt nog verder aan. Het ding heeft nu de tweede verdieping bereikt en nadert langzaam mijn kamer. Er klinkt een soort schurend geluid. Dan krast er iets over de deur van mijn kamer. Het zoemen is weer begonnen. Ik lig als verlamd, staar naar de deur en huiver... |
|
DISCLAIMER - Huiver by Jack Didden, 1968. These pages are free to read. Respect the fact that the authors spent time and effort in writing something good, and leave their name, their disclaimer and/or a link to here if any of these materials would be used elsewhere. This library is for everyone, and anyone can send in publishable material if they want. However, the owner preserves the right to decide what does and doesn't get uploaded here. Please respect that right. Please notify the owner of this site if you are going to use any of the material here. Thank you for reading this.
|