'Godsdienst is de beleving van het mysterie en het komt tot uiting als het gevoel zich openstelt voor de indrukken van het eeuwige dat verschijnt door de sluier van het tijdelijke.'
Rudolf Otto
is beroemd
geworden door
zijn boek
getiteld
Das Heilige,
über das
Irrationale in
der Idee des
Göttlichen und
sein Verhältnis
zum Rationalen,
waarin hij het
begrip 'heilig'
heeft
geanalyseerd op
een manier die
diepe indruk
maakte. Otto is
een geleerde
met een fijn
gevoel voor
religieuze
kwaliteitsverschillen,
maar het is de
vraag of de
fenomenologie
niet meer te
danken heeft
aan zijn
boekje
Indiens
Gnadenreligion
und das
Christentum.
In de
vergelijking
van de
verschillende
typen van
mystiek toont
Otto zich
namelijk een
meester. Hier
is een
waarachtig
schouwen van
het wezen.
Rudolf Otto
laat zien, hoe
het
Voor-Indiase
geloof in
genade naar de
terminologie
met het
christelijke
sterke
overeenkomst
vertoont, maar
naar de
godsdienstige
houding diep
verschilt. Dit
is
fenomenologisch
genuanceerd
ontleed.
In het
voetspoor van
Nathan
Söderblom en
Rudolf Otto
beschouwt de
moderne
godsdienstwetenschap
het heilige
meer en meer
als een van de
voornaamste
kernwoorden van
de religie. Je
kan je afvragen
of dit het
kenmerkende
begrip bij
uitmuntendheid
is. Maar het
kan moeilijk
worden ontkend,
dat zich in dit
heilige het
onherleidbare
karakter van de
godsdienst
openbaart.
(Claas Bleeker)
Fenomenologische
Klassieken
bij
Uitgeverij
Abraxas,
Amsterdam
De uitgave van
dit boekje is
daarom zo
belangrijk,
omdat wie
Otto’s
hoofdwerk 'Das
Heilige'
wellicht
gelezen heeft
als
godsdienstfilosofische
theorie, nu
merkt hoezeer
hij persoonlijk
was geraakt
door de werking
van dat
mysterieuze
iets, dat ons
deel doet
hebben aan een
bovenrationele
werkelijkheid.
Dat hij een
groot kenner
van de
voor-Indische
godsdiensten
was, blijkt uit
dit werk,
waarin hij met
name van het
hindoeïsme een
diep reikend en
verhelderend
beeld geeft
door
overeenkomsten
en verschillen
aan te wijzen
met het
christendom.
Voor Otto
(1869-1937) is
het heilige een
autonoom iets.
'Das ganz
andere', dat
rationeel
weliswaar niet
te kennen valt,
maar wel
innerlijk te
beleven. De
uitgever heeft
het boek
bewonderenswaardig
verzorgd door
er met grote
kennis van
zaken
geschreven
inleidingen,
nawoorden en
aantekeningen
alsmede citaten
van Otto aan
toe te voegen.
Een subliem
boekje dus,
waardoor velen
zich kunnen
laten
verrijken.
Met verklarende
lijst van
oosters-religieuze
termen.
Drs. J. Kleisen
Nederlandse
Bibliotheek
Dienst
Titelinformatie
afkomstig van
het Biblion BV
datum
24-06-2005
PARALLELS AND
CONVERGENCES IN
THE HISTORY OF
RELIGION
Verlegers: Paul
Siebeck, Oskar
Beck und
Humphrey
Milford
Phenomenologist
Bibliotheca,
Amsterdam
Theologie &
Religionsphilosophie
Religionsgeschichte
Nur 706, 728
PARALLELEN UND
KONVERGENZEN IN
DER
RELIGIONSGESCHICHTE
PARALLELS AND
CONVERGENCES IN
THE HISTORY OF
RELIGION
OVEREENKOMSTEN
EN VERWANTE
GEDACHTES IN DE
GODSDIENSTGESCHIEDENIS
1
Gleicher
präreligöser
Untergrund
Gelijke
prereligieuze
grondslag
2.
Zeitliche
Parallelen in
Hellas,
China, Israel,
Persien und
Indien
Chronologische
overeenkomsten
in het oude
Griekenland,
China, Israël,
Perzië en India
3.
Sachlichen
Parallelen:
vita religiosa
Objectieve
overeenkomsten:
vita religiosa
4.
Brahman, Tao,
Logos
Brahman, Tao en
Logos
5.
Atman,
pneuma
Atman,
pneuma
6.
Erlösungsdualismus
Dualistische
verlossingsgedachte
7.
Die mystische
Regung
8.
Heilandskult
9.
Theologische
Betrieb
10.
Einheit und
Verschiedenheit
des religiösen
Triebes
11.
Vergleich und
Unterscheidung
12.
Unterscheidung
der westlichen
und östlichen
Religionsentwicklung
13.
Beispiel:
Origenes und
indische
Theologie
Origenes en de
Indiase
theologie
14.
Rudolf Otto’s
wezenlijke
ervaringen van
het heilige in
India
15
Klaas Schilder
over
Rudolf Otto's
boeken
West-Östliche
Mystik,
Indiens
Gnadenreligion
und das
Christentum,
Sünde und
Urschuld,
Siddhânta des
Râmânuja
en
Vischnu-Nârâyana.
16
GLOSSARY ΟF
SANSCRIT TERMS
I
have given an
account of the
Bhakti religion
of
India in my
book,
Vischnu-Nãrãyana,
and also in the
book which has
recently been
published in an
English
translation,
India's
Religion of
Grace and
Christianity.
No one can read
the records of
this religion,
or meet with
its exponents,
without
carrying away
an impression
almost
disconcerting
in its
intensity, the
impression I
mean that the
development of
this religion
presents a
positively
astonishing
parallel
development to
religious
development as
we know it in
the West, and
this impression
is the common
experience of
all who have
concerned
themselves with
these matters.
It is not
surprising,
therefore, that
it should
induce these
repeated
attempts to
establish
borrowings of
the West from
the East or
vice versa. But
such an
attitude is
undoubtedly
mistaken; the
explanation is
rather that we
have to deal
with parallel
and converging
lines of
development.
And the matter
loses somewhat
in mystery and
significance as
we perceive, on
investigating
general
religious
development
more closely,
that we are
concerned here
not with one
individual
case, for then
it would have
to be a very
curious
coincidence
indeed, but
with a
classical
example of a
general law
which has
governed the
religious
development of
man as a whole,
the 'law of
parallel lines
of
development'.
Let us
endeavour in a
brief sketch to
present a
picture of this
general law.
In
mijn boek
Vischnu-Nãrãyana,
en ook in het
boek
Indiase
genadereligies
en het
christendom
heb ik
verslag gedaan
van de Bhakti
religie uit
India.
Niemand kan
over deze
religie lezen,
of haar
voorstanders
ontmoeten,
zonder een door
haar
intensiteit
bijna
verwarrende
indruk mee te
krijgen.
De indruk die
ik bedoel is,
dat de
ontwikkeling
van deze
religie een
verbluffende
overeenkomst
vertoont met
religieuze
ontwikkeling
zoals we die in
het westen
kennen.
En dat deze
indruk de
algemene indruk
is, van
iedereen die
zich hiermee
heeft
beziggehouden.
Het is daarom
wel
begrijpelijk
dat steeds
opnieuw
geprobeerd is
om allerlei
onderlinge
uitwisselingen
tussen het
westen en het
oosten uit te
denken.
Maar zo’n
houding is
zonder twijfel
een vergissing.
We hebben hier
niet met
overnames te
maken, maar met
parallele en
samenlopende
lijnen van
ontwikkeling.
En de kwestie
verliest ook
wat aan
raadselachtigheid
en kracht als
we door
nauwkeuriger
studie van de
godsdienstgeschiedenis
zien dat we
hier niet te
maken hebben
met een
afzonderlijk
geval, want in
dat geval zou
het inderdaad
een zeer
curieus toeval
zijn, maar met
een klassiek
voorbeeld van
een algemene
wet, namelijk
die van het
feit van de
overeenkomsten
in de
godsdienstgeschiedenis.
Laten we
proberen een
kort beeld van
deze algemene
wet te
schetsen.
>
Rudolf Otto:
West-östliche
Mystik
- Vergleich
und
Unterscheidung
zur
wesensdeutung
- 2e druk,
Gotha 1929
Rudolf Otto:
Mysticism
East and West;
a discussion
of the nature
of mysticism,
focusing on the
similarities
and differences
of its two
princple types,
New York 1970
Rudolf Otto:
Vischnu-Nãrãyana,
Texte zur
Indischen
Gottesmystik,
Jena 1917
Rudolf Otto:
Indiens
nådesreligion
och
kristendomen:
en jämförelse:
Olaus-Petriföreläsningar
hållna vid
Uppsala
universitet.
Trans. Birger
Forell.
Stockholm:
Diakonistyr.,
1927.
[Christianity
and the Indian
Religion of
Grace]
Olaus Petri
lectures
(Uppsala) for
1927
Rudolf Otto:
Christianity
and the indian
religion of
grace;
transl. by
Frank Hugh
Foster, D.D.,
London 1930
Rudolf Otto:
India's
religion of
grace and
christianity
compared and
contrasted;
Madras 1928
Rudolf Otto:
Indiens
Gnadenreligion
und das
Christentum.
Vergleich und
Unterscheidung.
München,
C.H.Beck 1930
Rudolf Otto:
La religione
indiana della
grazia ed il
cristianesimo.
Trans. Dott.
Isablla Grassi.
Pref. Mario
Puclisi. Citta
di Castello,
1932
Rudolf Otto:
Indo no kami
to hito.
Trans.
Tachikawa
Musahi &
Tachikawa Kiyo.
Kyoto: Jinbun
Shoin, 1988. [Die
Gnadenreligion
Indiens (1930)]
Rudolf Otto:
Indiase
genadereligie
en het
christendom.
Overeenkomsten
en contrasten.Amsterdam,
Uitgeverij
Abraxas 2004
Rudolf Otto:
Das Gefühl des
Überweltlichen
(Sensus
Numinis);
Fünfte uns
sechste,
vermehrte
Auflage von
Aufsätze, das
Numinose
betreffend,
Teil 1. München
1932
Rudolf Otto:
The original
Gita;
The song of the
Supreme Exalted
One, London
1939
H. Kraemer:
Godsdienst,
Godsdiensten en
het
Christelijke
Geloof,
Nijkerk 1958
Heiler,
Friedrich:
Indiens
Gnadenreligion
und das
Christentum.
Zu Rudolf
Ottos
gleichnamiger
Schrift.
Münchener
Neueste
Nachrichten
(December 13,
1930).
Röhr, Heinz:
Bhakti und
christlicher
Glaube bei
Rudolf Otto
(1869-1937). In
Mythos und
Religion,
ed. Oswald
Bayer
[Stuttgart:
Calwer Verlag,
1990]
The Santa Fé
Connection
(Shelley
Summers)
De wereld
In haar nieuwe
boek De
grote
Transformatie;
Het begin van
onze religieuze
tradities (De
Bezige Bij,
2005)
beschrijft
Karen Armstrong
de cruciale
periode in de
geschiedenis
waarin de vier
grote
wereldgodsdiensten
zijn ontstaan.
In de periode
van de negende
tot ongeveer de
tweede eeuw
voor Christus
creëerden de
bevolkingen van
vier
afzonderlijke
streken in de
wereld de
religieuze en
filosofische
tradities die
tot op de dag
van vandaag de
mensheid vormen
en voeden: het
confucianisme
en taoïsme in
China,
hindoeïsme en
boeddhisme in
India,
monotheïsme in
Israël, en het
filosofische
rationalisme in
Griekenland.
Historici
noemen deze
periode de
‘Spiltijd
vanwege de
centrale rol
die deze
inneemt in de
spirituele
ontwikkeling
van de
mensheid'. In
haar nieuwe
boek volgt
Karen Armstrong
de ontwikkeling
van deze
periode,
waarbij ze de
bijdragen
onderzoekt die
uiteenlopende
figuren eraan
leverden als
Boeddha en
Socrates,
Confucius en
Ezekiel.
Armstrong toont
aan dat hoewel
er ook
verschillen
waren, er
vooral
opmerkelijk
veel
overeenstemming
was binnen de
religies en
filosofieën:
alle drongen ze
aan op het
belang van
compassie boven
haat en geweld.
Het ging er de
wijzen van deze
cruciale
periode in de
menselijke
ontwikkeling
niet zozeer om
de doctrines en
vaste regels
van één bepaald
geloof te
omhelzen, maar
om te leven
zonder geweld
en met gevoel
voor anderen.
Religie was
compassie,
volgens deze
wijzen.
Armstrong laat
zien wat deze
gelijkenis zegt
over de
religieuze
impuls en
zoektocht van
de mens. En ze
gaat verder dan
spirituele
‘archeologie’.
Ook onderzoekt
ze hoe deze
oeroude
overtuigingen
een
instructieve en
prikkelende
uitdaging
kunnen zijn
voor de manier
waarop wij nu
religie beleven
en toepassen.
De grote
transformatie
is een
ontdekkingsreis
naar de vroege
ervaringen van
de mensheid,
hun verlangens,
zelf opgelegde
plichten en
inspirerende
oplossingen.
Geschreven in
de kenmerkende
Armstrong-stijl,
erudiet en
uiterst
toegankelijk,
is dit boek een
fascinerende
analyse van de
religieuze en
filosofische
wortels van de
menselijke
beschaving.
Trouw
12 november
2005:
Karen
Armstrong:
De grote
transformatie -
het begin van
onze religieuze
tradities.
Bezige Bij,
Amsterdam. ISBN
9023419057; 544
blz. € 23,50
Tussen 900 en 200 voor Christus gebeurt het: in China ontstaan confucianisme en taoïsme, in India hindoeïsme en boeddhisme, in Israël het monotheïsme en in Griekenland het filosofisch rationalisme. Wat zijn de overeenkomsten, wat de verschillen? Waarom deze gelijktijdigheid in het ontstaan van tradities die nog steeds onze kijk op de wereld bepalen?
Rudolf Otto: Religieuze overeenstemming; Overeenkomsten en verwante gedachtes in de godsdienstgeschiedenis; een vergelijkende studie naar de oorsprong en ontwikkelingen van de godsdienst
Oorspronkelijk verschenen als:
Das Gesetz
der Parallelen
in der
Religionsgeschichte
uit:
Vischnu-Nãrãyana,
Texte zur
indischen
Gottesmystik,
verlegt bei
Eugen
Diederichs,
Jena 1917 &
1923
(Religiöse
Stimmen der
Völker,
herausgegeben
v. Walter Otto;
Die Religion
des alten
Indien,
Band 3)
en
Parallelen
und
Konvergenzen in
der
Religionsgeschichte
uit: Das
Gefühl des
Überweltlichen
(Sensus
Numinis),
vanaf de 5e
druk uit 1931.
Een enigszins verkorte versie van dit essay verscheen in 1931 bij Oxford University Press te Londen in een Engelse vertaling van Brian Lunn onder de titel Parallels and Convergences in the History of Religion uit de bundel Religious Essays; a supplement to ‘The Idea of the Holy’.
Rudolf Otto heeft in zijn studie over Parallellen en convergenties in de godsdienstgeschiedenis het zoeklicht gericht op de godsdienstige gebeurtenissen die zich in de acht eeuwen vc in Israël, Griekenland, voor-Indië en China hebben voltrokken.
In Israël traden in de 8e en 7e eeuw de eerste profeten op. In Griekenland ontwaakte een hoger type van godsdienst. In het oude India ontstond het Brahmanisme en in China brak de historische tijd aan, waarin het godsdienstige denken wakker werd. Bij de Perzen is er de werkzaamheid van Zarathoestra als profeet van Ahoeramazda.
Daarna, tussen de 6e en de 4e eeuw, predikten Ezechiël en deutero-Jesaja een universeel monotheïsme, doceerden Plato en Aristoteles, leerden Lao-tzi en Confucius hun wijsheid en verkondigde Boeddha zijn heilsleer die een machtige levensbeschouwing in het leven riep.
Overal vindt je volgens Rudolf Otto overeenkomsten in de behoefte aan verlossing, in ideeën en idealen en religieuze levenswijze.
© 2005 Nederlandse vertaling: Uitgeverij Abraxas, Amsterdam