|
|
|
|
Rudolf Otto: 'Bhakti is geloof van liefde doordrongen dat zich in verering uitwerkt.'
De kritiek van Rudolf Otto
Naast de ambivalentie van de godsdienst als concrete factor in
het leven van de mens staat het waardevolle inzicht in de realiteit
van de godsdienst, dat het resultaat is geweest van een nauwgezet
en van inzicht getuigend onderzoek. Er zijn voorbeelden van resultaten,
die tot een vertekend beeld leidden, zoals de conclusies over
de oorsprong en de betekenis van de godsdienst, waartoe een groot
man als Freud is gekomen. We beperken ons tot enkele resultaten,
waartoe de godsdienstwetenschap is gekomen.
Met name willen we de aandacht vestigen op Rudolf Otto,
die een scherp en zuiver gevoel had voor belangrijke overeenkomsten,
welke de verschillende godsdiensten op hun hoogste ontwikkelingspeil
vertonen, maar niet minder voor hun onderlinge verschillen. De
arbeid van Otto zou men een gelouterde vorm van vergelijkende
godsdienstwetenschap kunnen noemen. In West-östliche Mystik
vergelijkt Otto de grootste Indiase vertegenwoordiger van
de kosmisch-onpersoonlijke vedanta-mystiek, Shankara met de grootste
speculatieve mysticus in de christelijke Middeleeuwen, meester
Eckhart. In Die
Gnadenreligionen Indiens und das Christentum
worden twee richtingen, die de nadruk leggen op vroomheid van
gemoed en op een leven dat daarmee overeenstemt, vergeleken. Beide
werken hebben dezelfde ondertitel: Vergleich und Unterscheidung
(overeenkomst en verschil). De overeenkomst, die Otto aantoont
tussen Shankara en Eckhart, is groot. De metafysische achtergrond,
de exclusieve realiteit van God, het zuivere absolute zijn (esse)
en de identiteit van God en ziel (Brahman-Atma) zijn bij beiden
praktisch dezelfde. Alletwee willen een weg ter verlossing aantonen
in de vorm van een consequente leer van de algemene eigenschappen
van de dingen. Zij maken hetzelfde onderscheid tussen een lagere
en een hogere vorm van godskennis: de eerste is een verhouding
tot een als persoon opgevat God, de tweede het één-zijn
met het onpersoonlijk-bovenpersoonlijke goddelijke. Shankara heeft
in zijn ontologische stelsel een theïstische onderbouw opgenomen,
welke volop ruimte laat voor een houding van geloof en persoonlijke
vroomheid. Zijn stelsel cumuleert in de alles verterende visie
van een eenheid van wezen tussen God en de ziel, welke alle rationele
en zedelijke onderscheidingen verre achter zich laat.
Hoewel de termen uiteenlopen, vinden we dezelfde structuur terug
bij Eckhart. Zowel Shankara als Eckhart brengen een synthese tot
stand tussen een persoonlijk theïsme en een radicale mystiek.
Er blijkt een verbazingwekkende overeenkomst in de geestelijke
visie bij twee figuren, die zo volkomen uiteenlopen wat betreft
herkomst, geestelijke achtergrond en godsdienstig milieu.
Toch zijn er belangrijke verschillen. In Rudolf Otto's eigen woorden:
Wenn man ins Innere zu dringen weiß, ist dann doch der Geist
und damit das Wesen der Sache nicht dasselbe. Christus ist nicht
'im Grunde dasselbe' wie Krishna oder wie der Heiland Amida der
grossen japanischen Buddhaschulen (Wanneer men tot de diepste
kern doordringt, is toch de geest, en daarmee het wezen van de
zaak, niet hetzelfde. Christus is uiteindelijk niet dezelfde als
Krishna of als de heiland Amida van de grote Japanse scholen van
het boeddhisme). Ebensowenig aber ist Mystik 'im Grunde dasselbe'
in Ost und West (Evenmin echter is de mystiek in het Oosten en
het Westen uiteindelijk identiek).
Van de verschillen noemen wij hier: de opvatting van het 'absolute
zijn' is bij Shankara statisch, bij Eckhart daarentegen dynamisch;
het denken van Shankara kenmerkt zich door koel rationalisme,
dat van Eckhart evenwel door laaiende hartstochtelijkheid. De
overheersende tendens bij Shankara gaat in de richting van een
contemplatief quiëtisme1, terwijl bij Eckhart de spanning
tussen vrome overdenking en een uit een gevoel van verantwoordelijkheid
actief ingrijpen in het leven groot is. De mystiek van Shankara
wordt beheerst door een intens verlangen naar Leidlosigkeit (vrij
zijn van lijden), terwijl Eckhart ook op zijn hoogste hoogtepunten
van mystiek denken en mystieke extase blijft hunkeren naar goddelijke
genade, heiligheid en rechtvaardiging.
In Die Gnadenreligionen Indiens und das Christentum worden niet
twee vormen van mystiek vergeleken, maar twee typen van piëtisme [2].
Want dáár gaat het om in dit boek. Volgens Rudolf Otto
zijn niettegenstaande de grote psychologische en theologische
overeenkomst tussen de Indische en de christelijke bhakti
de assen (zoals hij ze noemt) van de Indische en de bijbelse vroomheid
toch totaal verschillend. Zozeer lopen zij uiteen, dat de feiten
ons niet het recht geven om beide vormen van godvruchtigheid tot
elkander te plaatsen in een verhouding van voorbereiding tot het
evangelie en vervulling daarvan. Otto beroept zich hier
op de ervaring van Indische bhakti's (piëtistische
mystici), die tot Christus werden bekeerd, en verklaarden, dat
zij in een absoluut andere wereld waren gekomen. Na zorgvuldig
onderzoek wijst hij op de overeenkomsten, maar formuleert dan
het verschil als volgt: het christelijk geloof is in zijn diepste
wezen een godsdienst van het geweten (Gewissensreligion), terwijl
de Indische bhakti dit louter toevallig is. India heeft
in de bijbelse betekenis van het woord nooit de zwaarte van de
zonde gekend. Daarom heeft zijn genade-ervaring en zijn jubelende
lofzang daarop geen weet van de kern van de 'blijde boodschap'
in het evangelie, namelijk dat de soevereine genade van God een
daad van verzoening is, het herstel (op initiatief van God: 'Adaam,
waar zijt gij?') van de verbroken verhouding tussen God en mens.
In zijn Vischnu-Narayana, Texte
zur indischen Gottesmystik (Jena,
1917) merkt Otto op, dat de meeste aanhangers van de verschillende
godsdiensten zich amper bewust zijn van de originele inhoud van
hun eigen godsdienst, en in feite tweedehands godsdiensten aanhangen
en daaruit leven. Otto spreekt in dit verband van een religio
publica, waarvan de vormen, overal ter wereld, veel met elkaar
gemeen hebben. En toch is er voor de gelijkenis van de verloren
zoon volgens hem geen plaats in de Bhagavad Gîtâ,
noch voor de daarin aanbevolen bhakti in de koran, en evenmin
voor de Fatiha (het openingsvers van de koran) in het Nieuwe Testament.
Iedere godsdienst is een levende eenheid op zichzelf.
Deze voorbeelden uit de werken van een van de grootste geleerden
laten zien, dat de godsdienstwetenschap, wanneer zij met oordeel
des onderscheids wordt toegepast, ons een bezonken inzicht in
de godsdienst kan schenken. Blijft uiteraard de vraag of Rudolf
Otto, met name in zijn West-östliche Mystik, inderdaad
het juiste evenwicht heeft gevonden tussen overeenkomst en verschil.
Deze vraag opent een principiële discussie over de mystiek
als een van de grote representatieve typen van godsdienst, en
over de christelijke mystiek in het bijzonder. In laatste instantie
zou een dergelijke gedachtewisseling neerkomen op een principiële
kritiek op de beroemd geworden en uiterst vruchtbaar gebleken
wijze, waarop Otto het vraagstuk van de godsdienst heeft
benaderd. In laatste instantie was het hem daarbij te doen om
de zuiver psychologische wijze van benadering en interpretatie
van de godsdienst te boven te komen. Hij is daar m.i. niet volledig
in geslaagd, aangezien hij zich te uitsluitend blijft concentreren
op zijn poging het specifieke karakter van de godsdienstige ervaring
te definiëren, en de godsdienstige categorie a-priori nader
te bepalen, welke hij in Das Heilige met zijn mysterium tremendum
et fascinosum meende te hebben ontdekt. We geven volmondig toe,
dat Otto in deze richting subliem werk heeft gedaan. Hij
duidt echter deze godsdienstige categorie a-priori aan met het
begrip Ahnung (voorgevoel, vermoeden) en drukt dit in het Latijn
uit met nisus of met sensus numinis. Voor brede terreinen van
de godsdienstige ervaring is dit inderdaad zeer verhelderend.
Maar wanneer hij in deze Ahnung ook divinatie wil zien van de
'Zoon' Jezus Christus, blijkt toch, dat zijn manier van benaderen
van de zaak niet geheel recht kan doen wedervaren aan de bijbelse
godsdienstige wereld, waarin de centrale godsdienstige categorie
bij uitstek voor de mens het geloof is. Dit 'geloof' is evenwel
van een andere categorie, die soms wel divinatie kan insluiten
en zelfs doen ontstaan, maar nooit onder de categorie 'divinatie'
kan worden ondergebracht, aangezien dit vóór alles
een psychologische, fenomenologische en esthetische soort is. Otto diepte dit niet verder uit omdat hij de grenzen van
de godsdienstwetenschap niet te buiten wilde gaan, en deze zich
beperkt tot de godsdienst als menselijke factor. Voor het vervullen
van deze taak bleek Otto te beschikken over een grote mate
van invoelingsvermogen voor het mystieke godsdiensttype, en ook
voor het christendom. Wanneer je het streven van de mens, om zich
geestelijk te uiten, beziet van het standpunt van de godsdienstwetenschap,
kan men slechts tot de conclusie komen, dat alle godsdiensten,
filosofieën en wereldbeschouwingen pogingen zijn van de mens
om de totaliteit van het bestaan te vatten; dikwijls ontroerend
in hun verhevenheid, maar even vaak pathetisch en stuitend in
hun tekortschieten. Omdat deze pogingen in hun veelvuldige verscheidenheid
zonder uitzonderingen pogingen van mensen zijn, is het te begrijpen,
dat er in alle godsdiensten een verbazingwekkende mate van overeenkomst
moet bestaan op het punt van aspiraties, ideeën, instellingen,
symbolen, intuïties en dwalingen, ondanks niet minder grote
verschillen ten gevolge van verschil in ervaring, levensomstandigheden,
psychische structuur, accent, streven en allerlaatste, doorslaggevende
uitgangspunten.
Het onherleidbare feit van
de godsdienst
Rudolf Otto heeft het onherleidbare
karakter van het godsdienstige bewustzijn kernachtig uitgedrukt
in de woorden: Religion fängt mit sich selber an (de godsdienst
begint met zichzelf). Dit was het laatste oordeel van Otto
na zijn serieuze poging om de godsdienst met behulp van de psychologie
te begrijpen en dit is misschien het verstandigste wat men ervan
kan zeggen. Het is een verkapte bekentenis, dat de godsdienst
nooit geheel bevredigend kan worden verklaard uit zijn subject,
de mens.
Fjodor M. Dostojewski (1821-1881), die met zijn profetische en
visionaire gaven ongetwijfeld meer oog had voor het mysterie van
de godsdienst dan de meeste wijsgeren en psychologen, zegt in
een van de vele visionaire passages in De idioot: 'Het wezen van
het godsdienstige gevoel ontsnapt aan elk verstandelijk redeneren...
Er is altijd iets ongrijpbaars in, dat ontoegankelijk blijft voor
welk atheïstisch argument ook'.
Een wetenschappelijke poging tot begrijpen, die de godsdienst
opvat als een zaak van betekenis voor het leven van de mens, en
deze niet wegpsychologiseert, moet wel tot zo'n conclusie komen.
1 quiëtisme (quies, rust) is een meestal met mystieke trekken
verbonden religiositeit die tegenover het dorre dogmatisme ontstond
en 's mensen hoogste geluk en bestemming vond in volstrekte rust
en de uitschakeling van iedere religieuze activiteit, zodat God
bezit van de ziel kan nemen: zo zal het persoonlijke leven zich
kunnen oplossen in God. Het is een verschijnsel van alle tijden:
zo deed het zich o.a. voor in een mystieke stroming van het oosters
christendom in de 5e eeuw. In het protestantisme vindt men vormen
van quiëtisme bij piëtistisch en mystiek gezinde groepen
als de Labadisten en de aanhangers van Gerhard Tersteegen (1697-1769),
een Duits protestants mysticus, oorspronkelijk koopman en lintwever
en daarna pastor. Zijn brieven bevatten vele interconfessionele
elementen. Hij schreef biografieën van mystieken, w.o. heiligenlevens.
In de kerkelijke gezangbundels komen talrijke door hem gedichte
liederen voor. Uit
Rudolf Otto's Het heilige,
over het
moment van het tremendum, het huiveringwekkende op blz. 22:
'Ook in de christelijke eredienst wordt het hart in geweldige
mate er door aangegrepen bij de woorden: 'heilig, heilig, heilig'.
Het breekt uit in Tersteegen's lied:
Gott ist gegenwärtig. God is nu aanwezig.
Alles in uns schweige Alles in ons zwijgt
Und sich innigst vor Ihm beuge. En wij met elkaar innig voor Hem
buigen.'
2 piëtisme (pietas, vroomheid) is een binnen het Calvinisme begonnen geloofsbeweging, die in het Lutherdom haar grootste expansie bereikte. Het verweerd zich tegen dorre leerstellige prediking en tegen het uiterlijk-voor-waar-houden van de belijdenis en tegen de slapheid van zeden der kerkelijken. De piëtisten vragen om een positief beleven van het geloof met het hart, mond en daad. Piëtisten betonen zich ijverige zielzorgers, stimuleerden opwekkingsbewegingen en produceerden christelijke liederen in overvloed. Het piëtistische zuurdesem heeft tot in de twintigste eeuw de zendingswetenschap doortrokken. Aan het gevaar van geestelijke hoogmoed ontkwamen de piëtisten niet als zij zich de 'ware Christenen' voelden.
3 bhakti is de hindoeterm voor persoonlijke aanbidding en liefde voor God. Er zijn vijf graden, of 'smaken': rustige contemplatie, actieve dienst, vriendschap, gehechtzijn aan het gezin, hartstochtelijke liefde. Belangrijke bhakti-oefeningen zijn sjarvavana, het luisteren naar lofprijzingen van God en het lezen van de geschriften; kirtana, het zingen van de lof van God en smavana, het herhaald uiten van de naam van God, waarvoor de zonden 'vluchten als wolven afgeschrikt door een leeuw', en dat leidt tot het verlies van het zelf in vervoering.
divinatie wordt doorgaans gebruikt in de mantiek ('waarzeggerij') en duidt dan aan een bijzonder psychisch vermogen om langs niet-rationele weg tot het wezen der dingen 'schouwend' door te dringen. Onder de term verstaat men thans echter veelal (zo met name Rudolf Otto in navolging van Schleiermacher en Fries) het religieuze kenvermogen, waarmee de mens gebeurtenissen en personen zou kunnen zien als 'tekenen' en 'openbaringen' van het goddelijke en het heilige.
H. Kraemer: Godsdienst, Godsdiensten en het Christelijke Geloof, Nijkerk 1958
Dr. Hendrik Kraemer (1888-1965) studeerde in Leiden Oosterse talen. Tot 1937 werkte hij in Indonesië. De wetenschappelijke neerslag vindt men in zijn boek The Christian Message in a non-Christian World (1938). In 1946 is hij benoemd tot directeur van het Oecumenisch Instituut op Château de Bossey, Celigny, Zwitserland. Door zijn kennis van de Aziatische wereld én door zijn scherpe, inspirerende geest was hij een typisch internationale, missionaire figuur.