PARALLELEN UND KONVERGENZEN IN DER RELIGIONSGESCHICHTE
PARALLELS AND CONVERGENCES IN THE HISTORY OF RELIGION

1          Gleicher präreligöser Untergrund
2.         Zeitliche Parallelen in
Hellas, China, Israel, Persien und Indien
3.         Sachlichen Parallelen: vita religiosa
4.         Brahman, Tao, Logos
5.         Atman, pneuma
6.         Erlösungsdualismus
7.         Die mystische Regung
8.         Heilandskult
9.         Theologische Betrieb
10.       Einheit und Verschiedenheit des religiösen Triebes
11.       Vergleich und Unterscheidung
12.       Unterscheidung der westlichen und östlichen Religionsentwicklung
13.       Beispiel: Origenes und indische Theologie
14.      
Rudolf Otto’s wezenlijke ervaringen van het heilige in India

 

 

Rudolf Otto’s wezenlijke ervaringen van het heilige in India
 

Rudolf Otto benadrukt het heilige als een autonoom en volstrekt ander wezen. De term het volstrekt andere werd door hem ontleend aan de Sanskrietuitdrukking anyad eva, in overeenstemming met Augustinus': sed aliud aliud valde!, God is anders, volstrekt anders! In de mystieke wereld van het volstrekt andere liggen de voorwaarden voor het bestaan van deze wereld. Al uit zelfbehoud wordt de aandacht van de mens voortdurend naar die geheimzinnige wereld getrokken, waarvan hij de werking en invloed overal om zich heen bespeurt, maar die hij niet kan doorgronden of naar zijn hand kan zetten. Ook de universaliteit van de numineuze ervaring, de ontmoeting met het heilige, staat op zichzelf, omdat ze, net zoals de oorspronkelijkheid van schoonheid of logische juistheid, een volkomen eigen aard heeft. Door er een rationeel ethisch gevoel of een intellectueel theologisch begrip voor in de plaats te stellen, beroof je de religieuze ervaring van zijn wezen en gevoelsbron.
Hoewel het om een universele ervaring gaat, wil dit nog niet zeggen dat elke religieuze ervaring hetzelfde is. Integendeel, de onbegrijpelijkheid van het heilige toont zijn verschillende vormen juist in zijn mysterieuze beleving, in zijn gevoelde aanwezigheid en in het opwindende van zijn ervaring. Met andere woorden: de religies zijn spiegelingen van de inwerking van het heilige, maar kunnen niet zonder meer onderling verwisseld worden.


De veronderstelling dat het heilige ook in de niet-christelijke religies verschijnt, heeft Rudolf Otto niet alleen maar beweerd. Zij steunt op de grondslag van wat door hem als doorslaggevend wordt erkend: de eigen ervaring – in en met andere religies.
Rudolf Otto heeft drie langdurige reizen door een groot aantal landen gemaakt en zag zich daar vaak geconfronteerd met het heilige. Dit gebeurde in een kleine Marokkaanse synagoge, waar het ‘heilig, heilig, heilig’ weerklonk in dezelfde taal waarin Jesaja ze ooit als eerste ontving, en gesproken door de lippen van de mensen die deze woorden rechtstreeks hadden beërfd.

In Egypte ontmoette hij islamitische mystici en christelijke nakomelingen van de oude Egyptenaren, maar de grootste indruk op Rudolf Otto maakte India. Zijn ontmoeting met de driehoofdige Shiva in de grot van Elephanta voor Mumbai betekende voor hem, zoals hijzelf zegt, meer dan alle boekenwijsheid.

In een brief uit 1928 beschrijft Otto een ervaring van het heilige, zijn ontroering toen hij oog in oog stond met de indrukwekkende uit een rots gehouwen beeld van de mild glimlachende Shiva.

‘Het middelste hoofd kijkt recht vooruit, verstild en krachtig; de andere twee hoofden zijn zichtbaar in profiel. De verstildheid en het majesteitelijke van het beeld is compleet. Het laat Shiva zien als schepper, beschermer en vernietiger van de wereld en tegelijkertijd als redder en gever van goedkeuring. Nergens heb ik met meer grandeur en volheid het mysterieuze onkenbare uitgedrukt gezien dan in deze drie hoofden.’
Deze persoonlijke ervaring van de Indiase voorstelling van het heilige heeft hem vergezeld tijdens zijn verdere reizen.

 

Zijn eerste ontmoeting met Vishnu beleefde Rudolf Otto in de persoon van een volgeling van Krishna in Varanasi. Het eerste hoofdstuk van het voorwoord bij zijn knappe vertaling uit het Sanskriet Vishnu-Narayana, teksten bij de Indiase godsmystiek noemde hij dan ook: Eerste ontmoeting met Vishnu. Het is een religieuze belevenis met een Vaishnava-gosvami die hem de Indiase toewijding, de bhakti, als in een flits doet ervaren en zelfs tot een ontmoeting met Vishnu zelf wordt.
Rudolf Otto ervaart, dat goede werken geen spiritueel inzicht of bevrijding brengen, maar alleen het liefdevolle dienen van de Heer.
„Deze man verkondigde zuiver de leer die sinds eeuwen de leer van zijn gemeenschap is geweest […] en die volledig zelfstandig uit Indiase bodem is voortgesproten en in uitgangspunten wortelt die ruim enige eeuwen voor onze jaartelling liggen.”

 

Rudolf Otto is niet op zoek naar historische verbanden en prioriteiten om deze als feiten op te merken. Integendeel, het gaat hem erom dat de Indiase ervaring van het heilige, onafhankelijk van de christelijke overeenkomsten uit dezelfde verwante wortel is ontsproten:

„Wat we hier vonden, was niet het christendom, maar wel een in zijn directheid en uitdrukkingskracht haast opwindend voorbeeld van de merkwaardige wet van de parallellen op de verschillende schouwtonelen en gebieden van de religieuze ontwikkeling. Voor de innerlijke verwantschap van de religieuze neigingen en haar uitingen in de mens geldt dat al helemaal.”
 

De ervaring in het huis van de Vishnu-goswami in Varanasi leidde ertoe dat Rudolf Otto zijn eigenlijke Indiathema vond: de gloeiende liefde voor god Vishnu als gelukswaarde bij uitstek. Deze bhakti, deze liefdevolle toewijding beleefde hij als een adellijke bloem in de tuin van de religie en, zoals hij verder schrijft:

„Als theoloog ben ik geïnteresseerd in deze vorm van religie. Maar in het vervolg daarop mag een theoloog zich door niemand laten verhinderen of overvleugelen om een dergelijk hoogstaand gewas in een zo zuiver mogelijke vorm op te nemen en er ruimte aan te geven om ten volle zijn diepste wezen naar voren te brengen.”

 

Het gaat hem er om de religieuze ervaring van de bhakti als religieuze waarde in haar kenmerkende eigenschap door te geven en in haar bestaansvorm te onderzoeken.
Dit edele gewas was zo waardevol voor hem dat hij haar gedichten en verhalen zelf uit het Sanskriet vertaalde, omdat hij deze bezigheid vanwege hun religieuze betekenis niet te durfde over te laten aan indologen die aan de godservaring zelf geen boodschap hadden. Het enthousiasme van Rudolf Otto voor de Vishnu-devotie die hij had ontdekt was zo groot dat hij haar niet alleen liefdevol een edelgewas noemde, maar haar het ‘voorrecht’ gaf van de wezenlijke vergelijkbaarheid en de verwantschap met de oudtestamentisch-christelijke Jahwereligie.
„De eerbiedwaardige Vishnureligie, die in de wirwar van de oud-Indiase offerreligie al een vreemde eend in de bijt is, kan, wat betreft haar eenvoudige zuiverheid en schoonheid, het beste vergeleken worden met de oud-israëlitische Jahwedienst.”
 

In de meesterlijke samenspraak tussen de Indiase genadereligie en het christendom dat u nu in handen hebt, gaat hij als protestants theoloog op een vergelijkende wijze en op een buitengewoon subtiele manier om met de bhaktireligie van India. Otto ontwikkelt het denkbeeld dat bhakti het dichtst bij de christelijke genadereligie staat, maar dat het echter om een ander darshanam gaat – een ander zintuig, een ander kenvermogen.

Rudolf Otto toont hier zijn vermogen tot een waarachtig schouwen van het wezenlijke van religie. Hij laat zien, hoe het voor-Indiase geloof in genade naar de terminologie met het christelijke sterke overeenkomst vertoont, maar naar de godsdienstige houding diep verschilt. Deze raakvlakken en contrasten worden fenomenologisch genuanceerd ontleed.

 

Iedere godsdienst is in zekere zin een bevrijdingsgodsdienst. Daarin stemmen alle vormen van geloof overeen. Maar er blijken er op drie punten principiële verschillen te bestaan:
 

1-            ten aanzien van de onvolkomenheden waarvan de betreffende godsdienst de mens wil bevrijden;

2-            over de vraag of de bevrijding van dit euvel collectief dan wel individueel is gedacht;

3-            wat betreft de wijze waarop de bevrijding moet plaats vinden.

 

De twee donkere machten die de mens kwellen en zijn geluk bederven zijn het leed en zijn gebrek aan wijsheid. Het is opmerkelijk hoe het accent verschillend gelegd wordt, namelijk aan de ene kant op het leed en daarnaast op de fouten. Het duidelijkste voorbeeld van dit contrast leveren het christendom en de genadereligies van India. Zij lossen het genoemde probleem verschillend op. In de christelijke geloofsleer worden de gemaakte fouten gezien als het grootste struikelblok om tot God te komen. Alleen door bekering en door Gods vergeving kan de mens zijn vrede vinden. Daarnaast moet de christen leren zijn leed, zijn kruis te dragen naar het voorbeeld van de Christus.
Alle voor-Indiase godsdiensten echter stoelen op de overtuiging dat de vergankelijkheid en het lijden de grote onvolkomenheden zijn waarvan men zich moet en ook kan bevrijden, en wel door het ware inzicht. Aan het boze in de mens schenkt men minder aandacht, omdat dit geldt als een gebrek aan dit ware inzicht.

 

Als bhakti marga, de weg van geloof en liefde betitelt men in India de geluksleer van de aanhangers van enkele goden die hun mededogen uitstrekken over dolende schepselen. De voornaamste van deze goden is Vishnu, die de titel Ishvara, Heer draagt. De beroemde en bekwame verdediger van dit gelukspad is Ramanuya. Zijn theologie vertoont trekken van verwantschap met de ideeën van Jezus van Nazareth, speciaal in de vertolking van de hervormingsgezinden.
 
De protestants-christelijke leer is gebouwd op de stelling dat de dwaze, fouten makende mens zich nooit voor God kan rechtvaardigen, zelfs niet met zijn meest verdienstelijke daden. God zelf moet hem vergeving schenken, zijn hart vernieuwen door de Heilige Geest, zodat hij aangespoord door dankbaarheid een zuiver leven gaat leiden.
In 1604 raakten Franciscus Gomarus met Jacob Arminius verwikkeld in een theologisch geschil over de voorbeschikking. Tegenover Arminius’ opvatting van de uitverkiezing op grond van het door God van tevoren geziene, stelde Gomarus die van Gods eeuwig besluit om sommigen het geloof en het eeuwige leven te schenken en anderen in hun verdoemenis te laten.
 

Rudolf Otto heeft in deze indringende studie de Indiase genadeleer vergeleken met de christelijke. Hij komt tot de conclusie dat er merkwaardige trekken van overeenkomst, maar ook duidelijke punten van verschil bestaan.
Als overeenkomst vertonen zich in de bhaktireligie dezelfde twee stromingen als in het christendom. In India worden ze aangeduid als de kat- en de aapschool. De jonge aap klemt zich aan zijn moeder vast als ze van boom tot boom springt. De moederkat pakt haar geheel passief blijvend jong in de nek en brengt het waar ze het hebben wil. De aapschool neemt dus een bepaalde samenwerking aan tussen God en mens in het bereiken van een zekere verlichting. De katschool ziet het als de uitsluitende werking van de genadige Heer.


De verschillen zijn de volgende: de godheid heet in de bhaktileer niet 'Onze Vader’, maar de hoogste Geest. Het wereldverloop heeft volgens deze opvattingen geen doel, is niet een proces dat tendeert naar de verwerkelijking van Gods Koninkrijk. Ishvara troont boven de kringloop van het bestaan en buigt zich in genade neer om dwalende zielen te redden. Hij spoort echter niet aan tot heiliging van de wereld. Fouten zijn geen ongehoorzaamheid tegenover God, maar een verzwaring in de geestelijke groei. Het voor-Indiase ideaal is niet sanctitas, heiliging, maar serenitas, zielenrust.

Ondanks deze verschillen bestaat er een opmerkelijke overeenkomst in de ontplooiing van de geluksmogelijkheden bij de bhakti-leer en in het christendom. De theologische discussie cirkelt in beide gevallen rond de vraag of de mens zijn gelukzaligheid uitsluitend van Gods genade moet verwachten, dan wel of hijzelf nog iets kan bijdragen tot zijn eigen redding.


Het verschil tussen genade hebben of overkomen, of genade te moeten veroveren is wellicht psychologisch te verklaren aan de hand van de ideeën van William James over de eenmaal geborenen en tweemaal geborenen. De eersten hebben, zoals de verlossingsgedachten binnen christendom en hindoeïsme aanbieden, de behoefte en – daarmee blijkbaar ook de mogelijkheid – tot wedergeboorte. Zij gaan op zoek naar verlossing en kunnen dit vinden wellicht via de weg van psychotherapie, religieuze devotie
of op andere wijze. De optimistische naturen hebben een meegekregen gevoel van eenheid en daarmee van genade. Het is hun klaarblijkelijk gegeven. Het thema van de hergeboorte is volgens James een beslissend psychologisch verschijnsel in de menselijke levensloop. Volgens de hedendaagse psychologische inzichten heeft dit alles te maken met de verhouding tussen numineuze en traumatische ervaringen in de vroege jeugd: de afkomst van de mens bepaalt in hoge mate zijn wezen.
Standvastige vernieuwingen komen voort uit de traditie; want emancipatie is een kwalitatieve verandering, geen overstappen van het ene soort handelen op het andere.
Een klassieke tekst als De Indiase genadereligie en het christendom blijft daarom alleen al zijn waarde behouden.

 

Bronnen:

Gregory D. Allis (Editor): Rudolf Otto Autobiographical and Social Essays, Berlin/New York 1996
Claas
Bleeker: Het Wezen en de Funktie van de Godsdienst, Katwijk aan zee 1982
William James: Vormen van religieuze ervaring, Amsterdam 2006
Daniël Mok (samenstelling): Een wijze uit het westen; beschouwingen over Rudolf Otto en het heilige, Amsterdam 2001
Dr. H. Th. Obbink: De godsdienst in zijn verschijningsvormen, Groningen - Den Haag - Batavia 1933
Rudolf Otto: Vischnu-Nãrãyana, Texte zur Indischen Gottesmystik, Jena 1917
Dr. F. J. Tolsma:
Edmund Weber: Die Wiederkehr des Heiligen.
Rudolf Ottos hagiozentrische Grundlegung einer autonomen Religionswissenschaft und Religionskultur. Journal für Religionskultur Nr. 40 (2000)