Het feodaal stelsel - deel 2.
De Franken Van alle Germaanse stammen zijn de Franken de groep die de meeste invloed had op de ontwikkeling van het feodaal systeem. Deze groep heerste uiteindelijk, na veel veroveringen, over het gebied wat nu Frankrijk, België, Nederland en Zuidwest Duitsland is. |
Zij ontwikkelden een sterk centraal gezag met duidelijke wetten en machtsverdeling. Belangrijke Frankische vorsten waren Karel Martel en Pepijn de Korte [751-768], die tot de familie van Karolingen behoorden. |
Beeld van Karel de Grote |

Frankische ruiter |
Zij hadden met succes de mohammedanen tegengehouden die via Spanje Frankrijk wilden veroveren, en met succes hun gebied uitgebreid. Maar de beroemdste Frankische vorst is Keizer Karel de Grote of Charlemagne [768-814]. Hij organiseerde voor het eerst een groep soldaten als beroepssoldaten. Dit waren ruiters die zowel te voet als te paard konden strijden. Deze soldaten legde een eed van trouw aan de keizer af, zoals dat voor de Germanen gebruikelijk was. Daardoor werden zij een vazal van de koning. Daarmee legde Karel de Grote de basis voor de ridder die wij kennen. |
Hoe het feodaal stelsel werkte
Als je in het leger van keizer Karel de Grote wilde, moest je dat kunnen betalen. Je zorgde voor je eigen wapens, paarden enzovoort. En mannen die altijd in het leger zitten kunnen niet op het veld werken, of op een andere manier hun geld verdienen. Deze mannen kregen daarom als beloning voor hun inzet, een stuk land van de keizer te leen. De keizer werd leenheer en de ridder leenman. Omdat hij dat land niet zelf kon bewerken, moesten de boeren die op dat land woonden ook een stuk land voor de ridder bewerken of een deel van de oogst afstaan als een soort belasting. Dubbel werk dus, maar als beloning hoefde de boer in geval van oorlog niet te vechten.
Dit is het principe van het feodaal stelsel. Al het werk werd verdeeld en uitgevoerd door de specialist. De priester bad voor allen. De ridder vocht voor allen. De arbeiders werkten voor allen. Dit is het economisch systeem dat de hele middeleeuwen heeft bestaan.
In het begin was het beroep ridder niet erfbaar. Dit hield dus in dat als een ridder stierf, er een nieuwe ridder gezocht moest worden door de koning. De nieuwe ridder moest weer een eed van trouw aan de koning afleggen. Ook de keizer van het latere Heilige Roomse Rijk werd gekozen door alle belangrijke graven en hertogen van dat rijk.
Invloed van de Noormannen Van ongeveer het jaar 800 tot 1000 werd heel Europa overspoeld door een ander volk dat zijn stempel op de middeleeuwse cultuur heeft gedrukt. De noormannen kwamen van de kusten van scandinavië, en met hun snelle boten, drakars genaamd, zwermden ze naar Ierland en Engeland in het westen, Rusland en Byzantium in het Oosten tot aan Sicilië in het Zuiden.
|
In het begin vielen ze 'alleen' rijke steden aan, plunderde en roofde deze leeg en vertrokken weer naar huis. Later vestigden veel groepen zich voor goed in de veroverde gebieden. Enkele gebieden groeide uit tot machtige koninkrijken, zoals Normandië (de naam zegt het al) in Frankrijk, Koninkrijk Moskovie in Rusland en Koninkrijk Sicilië. Vanwege hun effectieve oorlogvoering namen de andere volken hun wapens en tactieken al snel over. |

Noormannen schild |

Normandiers (noormannen uit Normandië, Frankrijk) vallen onder leiding van Willem de Veroveraar in 1066 Engeland binnen. |
Ook werden een aantal van hun ideeen over erfrecht overgenomen. Bij de noormannen erfde de oudste zoon ALLES. Toen de zoon van Karel de Grote stierf werd zijn grote rijk verdeeld onder zijn 3 zoons, het machtige rijk werd in 3 stukken gesplits. Dit zou later niet meer voorkomen, of de hertogen kozen de keizer (Duitsche rijk) of degene die het meeste recht had erfde alles (de rest van europa). De jongere zonen moesten hun eigen fortuin zoeken. (zie de lotgevallen van William Marshall)
Het Klassenstelsel Later ging men geloven dat God had bepaald wie bij de ridder groep, de priester groep of de werker groep hoorde. In de tijd van de Franken kon een boer die goed kon vechten, zich moedig gedroeg in het gevecht, tot ridder gemaakt worden. Of zichzelf tot ridder maken, door veel land te veroveren. Maar al snel het was voor een boer niet meer mogelijk om ridder te worden, hij was niet van de goede familie, niet van adel. Op deze manier werd wat eerste een beroep was een titel en een privilege dat van vader op zoon en zelfs van vader op dochter kon overgaan, hoewel hiervoor niet in alle landen dezelfde regels golden.
Hier zien we dus de ridder ontstaan als beschermer van de mensen die op zijn land woonden, en de dienaar die trouw en loyaliteit had gezworen aan de koning. Later gebeurde het dat de ridder zoveel land had dat hij weer mannen uitkoos om zijn vazallen te zijn. Hij leende zijn land [dat hij van de koning had geleend] weer uit. Deze nieuwe ridders zworen dus trouw aan hun hertog of graaf, zoals een dergelijke belangrijke ridder dan werd genoemd. Zo'n ridder kon zoveel geld en land krijgen door oorlogsbuit, verovering van land of door met een vrouw te trouwen die veel land bezat. Zo ontstonden heel machtige hertogen en baronnen die soms nog machtiger dan hun eigen koning waren.
Je kunt je misschien wel voorstellen dat dit systeem tot veel oorlog en ruzie leidde. Oorlogen, juist tussen families en bloedverwanten. Neven en ooms die om de positie van een rijke maar kinderloze broer en oom vochten. Zelfs zonen die met elkaar en hun vader oorlog voerden om de troon van een land. Zo zie je dat wat eens de kracht van de Germaanse cultuur was, de familieband, in de latere middeleeuwen een bron van veel ellende en verdriet werd.
Maar bestond het leven van een ridder uitsluitend uit vechten? En, hoe werd iemand een ridder? Deze vragen komen aan bod in het hoofdstuk "Het dagelijks leven van een Ridder". |