We liepen door
het late land. De bomen geurden bedwelmend en de zomerlucht was
zwaar. Duister schoof over vers gemaaide klaver. De wind kwam als een warm
en tastbaar aaien onder de hemel, spiegelend in een meer op blauwgroen
fond zijn ambergele wolkenvlokken. Er klonk vreemde muziek, die ik
vergat. We zagen achter wijde velden spitse torens, gerezen aan de
duistere einderboog tegen het stil verschilferd koepelparelmoer. Er was
gefluister en gegiechel langs de wegen en bladerschaduw als een lokkend
grottenhol.
Terugkeer. Dit nooit kunnen verwoorden: terugkeer door
de zomeravond, naar huis, maar niet mijn huis, het onvolmaakte. Dit was
nóóit samen, altijd heel alleen, de lucht moest warmer zijn dan bloed, het
licht heel rood verguld, de geuren bijna verstikkend zwaar. Een ander
paar moest ergens dwalen, een veel gelukkiger en mooier paar, en een jonge
landman zong of oefende in een tuin op een trombone. En nooit heb ik dat
huis bereikt, maar soms in dromen ben ik nog op weg
daarheen.
Hans Warren, Verzamelde Gedichten. (Amsterdam:
Bert Bakker, 2002).