EEN KASTEELTJE TE OSTADE ONDER ASTEN
Oudtijds had men te Asten behalve het
kasteel van dien naam, hetwelk thans eene ruïne is,
nog een kasteel, dat aldaar in de buurtschap Ostade stond en waarvan thans geen spoor meer is te
ontdekken. Op eene kaart van de provincie Noordbrabant van 1841 bewerkt door L. van der Voordt Pieck
en M. Kuyl
vindt men het nog vermeld onder den naam van ”het Slotje”, doch toen moet het al niet meer hebben bestaan, want
niemand weet er zich nog iets meer van te herinneren. Op oude kaarten staat het
vermeld naar zijnen vroegeren eigenaar als: Joncker Beeck.
Blijkens mededeelingen, welke uit
het rijk archief der voormalige heerlijkheid Asten mij welwillend werden
verstrekt door Mr. C. Baron
van Hövell te
Roermond, behoorde het slotje in het begin der 17de eeuw aan Jonker
Wouter van Beeck,
van wiens familie mij niets anders bekent is dan dat zij tot wapen had, in
zilver drie kepers van sabel, en dat voor den toren der R. K.
kerk te Deursen bij Ravenstein
eenen hartsteenen grafzerk
van eenen (eene) van Beeck
ligt met acht kwartieren er op uitgebeiteld, die echter zoo afgesleten zijn,
dat er niet meer op te zien is, van wie zij waren. Ook is daar nog eene grafzerk, waarop de wapens van van
Beeck x van Berckel.
Een Wolter (genoemde Wouter?) van Beeck was
gehuwd met A. M. Baacks
(Basx) en een Jan
van Beeck met Catharina van Eyndhouts, welke vrouw niet voor
komt in de genealogie van Eyndhouts, die ik publiceerde in dit tijdschift XIde
jg. 1)
Genoemde Jonker Wouter van Beeck liet bij zijnen
dood eenige kinderen na, onder wie eene dochter
Maria,
welke in 1633 te St. Oedenrode gehuwd was met Jonker Godert van
der Voort 2) en van haren vader diens te Ostade gelegen onroerende goederen erfde, waaronder het slotje. Van welke familie haar man
was, is niet meer bekent, denkelijk behoorde hij tot
de adellijke familie van der Voort,
welke het kasteeltje Aldendriel
onder Mill bezat. Maria van Beeck voornoemd stierf in 1656
kinderloos na vooraf ten overstaan van Schepenen van Asten het
volgende testamant te hebben gemaakt:
In den naem ons Heere Jesu Christi
Amen. Sy condt ende kennelijck eenen iegelijcken by desen instumente
van Testamente hoe dat voor ons ondergescreven
Schepenen ende secretaris der Grontheerlijckheydt
Asten personenlijck en is gecompareert
op hede den dartienden dach
der maent November XVIC ses en vijftich de Edele Juffrouwe Maria van Beeck tot haeren eygen woonhuyze,3) gestaen binnen Asten
ter plaetse genoemt Ostaden sieckelijck sijnde, nochtans haer verstandt ende vijf sinnen wel gebruyckende, soo blyckende was dengenen haer aenschouwende, dewelcke, overpeynsende de broosheyd des menschenlycken
levens ende dat de doot seecker is ende de uere derselver onseecker, daeromme wel bedacht wesende ende niet willende uyt dese bedruckte
werelt scheyden voor ende alleer van haere tydelycke goederen se hebben gedisponneert heeft geordonneert ende geslooten desen haeren lesten ende uyttersten wille.
Eerstelijck revoceert ende
herroept sy Vrouwe testatrice alle maeckselen, testamenten ofte codicillen, donatien ter saecke des doots oft wat naem
deselve soude mogen hebben,
die sy heir bevorens tsy voor Schepenen ende
Secretaris ofte Notarios ende
getuygen mocht hebben gemaeckt
ter wat plaetse ende ter
wat stede het soude moge wesen,
deselve mits desen doot ende te niet doende.
Eerstelijk wilt ende begeert sy, testatrice, dat wanneer haer siel uyt haer
lichaem sal gescheyden wesen, dat haer lichaem alsdan sal begraven
worden inde paochiekercke alhier recht voor de plaetse daer het L. Vrouwe hoogaltaer gestaen heeft, alwaer hare voorouders sijn begraven. Ende belangende haere goederen haefl’ als erfl’elijck, daervan sy, testatrice, cracht oft macht heeft te disponeeren, soo begeert sy, testatrice,
ingeval sy voor haere man,
den Edlen Jonker Godert
van der Voort, quam aflyvich
te worden, dat aen hem sal
worden getelt eene somme van vijftien hondert Car. Gulden innegevolge
van de houwelyxe voorwaerden
by haer, testatrice ende den voorsz.
Jonker gemaeckt, wesende in
dato den twelfden dach der maent der maent May XVIC drie en dartich,
willende ende begerende, dat den voorsz.
Jonker Godert
haeren man daermede sal scheyden ende
desisteren uyt alle haer,
testatrices, goederen sonder meer te derven
pretenderende als in de voorsz. houwelyxe
voorwaerden is begrepen.
Item maeckt ende legateert sy. testatrice, aen Jonker Hendrick
van Boxmeer van Roy eene
somme van een hondert ende vijftich Car.
Gulden eens.
Item wilt ende begeert sy. Testatrice, dat haere erfgenaemen na haer doot haer,
testatrice, sullen doen een eerlycken uytvaert.
Ende belangende
alle haer anderen goederen wilt
ende begeert sy,
testatrice, dat sullen delvolveren op haere naesten bloede, te weeten voor een gerechte vierde part op Jor Hendrick van Boxmeer
ende voor een ander vierde part op Jor Hendrick ende Juffrouwe Maria, naergelaten
kinderen van Jor
Johan van Boxmeer, verweckt by
Margerita
van Berckel,
sijne huysvrouwe ende de andere hellichte op de kinderen ofte kintskindere van Jor Giulhel. Van Beeck, alsdan
in leve sijnde, om per stirpes
onder hun te deylen, deselve
haere enige erfgenaemen
noemende ende instituerende.
Wesende dit haeren uytterste ende leste wille, willende ende
begerende, dat sijn volcomen
effect sal sorteren
niettegenstaende,eenigen solemniteyten, hiertoe gerequireet,
niet en waeren geobserveert,
deselve alhier houdende voor
geinsereert.
Aldus gedaen ende gepasseert
op dach en datum voorsz. ten overstaen van Joost Roefs ende Peter Hendrix, schepenen, dese neffens haer.testatrice ende my, secretaris, onderteykent hebbende.
(get.)
Maria
van Beeck
Joost Roeffs,
schepen.
Peter Hendryx,
schepen.
M. van der Lith, Secretaris.
Van genoemde
erfgenamen van Boxmeer was:
Henrick, heer van Hurwenen
en echtgenoot van Anna van Berckel en was
Johan diens
neef; de vrouw van dezen was Margaretha van Berckel, de dochter van Hugo van Berckel, schout van Peelland: zij bracht hem ten huwelijk de helft in het goed Ten Houtte onder
St. Oedenrode.
Henrick en Johan van Boxmeer voornoemd zullen dan
geweest zijn respectievelijk de kleinzoon en zoon van Henrick van Boxmeer en Anna van Boshuysen, wier zuster Maria huwde met Wolfgang Endevoets,4) die in 1635 het huis Zwanenburg onder Esch
kocht, nadat hij van te voren het slotje
Emmaus onder St. Oedenrode
had bewoond.
Johan van Boxmeer voornoemd had van zijne vrouw Margaretha van Berckel de navolgende kinderen:
Hendrick, heer van het Leucker
onder Boxmeer en kapitein in dienst van den Koning van Spanje en
Maria
van Boxmeer, hofdame van prinses Elisabeth van Hohenzollern te Bergen op Zoom 5) die huwde
met Jor Michiel van Eyck tot Overbrugge Gerardszn.
Op
welke wijze deze van Boxmeer’s aan de erflaatster bestonden is mij evenmin
kunnen blijken als de graad van bloedverwantschap waarin haar erfgenaam Guilelmus van Beeck
haar bestond.
Over het testament der erflaatster
ontstonden geschillen tussen hare erfgenamen en haren man, omdat het in strijd
was met de huwelijksvoorwaarden door later met hem opgemaakt, welke geschillen
werden beëindigd bij eene dading, waarbij aan hare
erfgenamen werden toegekend het Slotje, dat als nu gezegd werd te zijn: ”seecker adelijck huys, hof, landt, groessen, weyden, heyden, wallen, grachten
en de alle de eycke boomen in de dreven ende opte voorsz.
Hare erfgenamen, zijnde: Jor Hendrick
van Boxmeer, heer van Hurwenen; Jor
Hendrik van Boxmeer, kapitein; Jor Michiel van Eyck als man van Maria van Boxmeer; Agnes van Beeck, gewezen chanoinesse
van Hooijdonk; de minderjarige kinderen van Jor Hubertus Firon en diens echtgenoote
Anna van Beeck;
Jor Joost Suermondt
6)
als man van Wilhelmina Cattenburch; Anna Vaeck, gewezen chanoinesse
van Hooijdonk en de minderjarige kinderen van Jor Johan Suermondt en Maria
van Cattenburch, verkochten 17 September 1657
voor Schepenen van Asten het Slotje
aan Jonker Christiaan
Stockheym van de Hasselhondt.
Zijne vrouw was EIsabella Vaeck, welke in 1675 als zijne weduwe
optrad.
Wat er verder van het Slotje is geworden, blijkt niet meer, behalve dat de weduwe van
genoemde Endevoets daarop ook nog pretense
erfrechten heeft doen gelden.
’s Hertogenbosch A.
VAN SASSE VAN IJSSELT.
1) Een Jan
van Beeck, in 1554 vermeld, had tot dochter Maria van
B., de huisvrouw van Jor. Henrick
Mheer (of Boxmeer).
2) Zijn broeder was de overste Adolfh
van der Voort.
3) Het Slotje n.l.
4) Zijn broeder Gijsbert Endevoets huwde Helena van Beeck
5) Men zie over haar Taxandria XV, p.107.
6) Men zie over deze Suermondt’s Taxandria XXI p.40
Een
kasteeltje onder Asten door A. F. O. van Sasse van Ysselt
In:
Taxandria 33 (1926), p. 3 - 7
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
ST.
OEDENRODE – NIJNSEL, DE BUURT OSSTAYEN
De kleine Buurt,
of liever uitgestrekt Goed Osstayen scheidden voorheen twee Hoeven en nog twee
kleinen Erven: van welk laatst genoemde het ene Vulkens – Ven genoemd, liggende naast de gemeene
heijde af, over vele jaaren
is weggeraakt, terwijl de sanering van Osstayen thans maar alleen gebleven is aan het andere kleine
Erf of huisjen met weinig aanhorend land, daar
voorheen de twee aangelege Hoeven de naam Osstayen ook
mede hebben gevoerd: en welke grootste deer twee werd de Hoeve Te Osstayen genaamd, nu meest bekend onder de naam Kremersgat, en andere het
Goed op Osstayen en, welke men thans Stróbol noemt.
De eerste dezer
hoeve, was onder de naam van Hoeve te Osstayen in de XVIIde
eeuw in bezit van de familie Fabri, kwam bij versterf, voor de helft aan de heer Cornelis Fabri: dan
hunne twee kinderen, namelijk Theodorus en Wouter Vrymont, verkochten hun aandeel aan hunnen Oom Theodorus Fabri, de wederhelft daarvan bezat, voor 855 gulden,
den 25 Augustus 1717. Den 26 Julij
1742 gaven de erfgenamen van Maria Fabri; te weeten Arnoldus Fabri deze
Hoeve, voor 440 gulden, in koop over aan Lambert van den Boomen; en Jan dezelfs zoon, liet met zijne dood, in 1796, dit goed na, aan de vier kinderen van Peter van Hombergh,
verweckt bij Helena van den Boomen
zijne overleden dogter. Eindelijk verkocht gemelder van Hombergh in de kwaliteit als Vader en Voogd de som van 1990
guldens zes stuivers en veertien penningen aan Hendrik Joannes van Genuegten,
bij transport van 20 January 1804
Het andere Goed, Te of Op – Ostayen dat men heden daags Strobol
noemd, groot 22 lopense
groot waaronder een parceel, bij de huisinge gelegen, zeven lopense
groot thiendvry, was van ouds
een bezitting der familie van Gysselen, tot dat eindelijk Juffrouw Isabella de Gysselen,
den 28 November 1759 in koop overgaf aan Hendrik
van Oirschot voor de som van twaalf honderd drie
en zestig gulden vijftien stuivers, de uitgaande lasten daaronder begrepen.
Uit de Geschiedenis
der Oude Vrijheid van A. C. Brock door W. Heesters
In: Heemschild 3
(1969), p. 28