Met toestemming heb ik dit artikel overgenomen
van de
website Mandela.
Hoe zag Alice
Miller Het Gekwetste Kind?
Alice Miller heeft het over het
schenden van het uniek-zijn, door de regels die er
in opvoeding gesteld worden.
Volgens haar kan je het verleden niet veranderen maar wel onszelf, onze
verloren integriteit heroveren.
Dan schetst zij het psychisch klimaat van een (op
illusie baserend) goede kindertijd, vervolgens schetst zij hetgeen typerend is
voor mensen met een helpend beroep en het ontstaan van de alsof-persoonlijkheid
of het onechte zelf ten gevolge van de aanpassing van het kind aan de behoefte
van de ouders.
De grote moderne therapeut Alice Miller
noemt het de 'logica van de absurditeit'. Het is logisch, wanneer men begrijpt hoe het kernmateriaal onze beleving vorm geeft. Het is net alsof je een
zonnebril op hebt: Hoeveel zonlicht er ook is, het wordt allemaal op dezelfde
manier gefilterd. Als de brillenglazen groen zijn, zal de wereld groen lijken.
Zijn de glazen bruin, dan zul je heldere kleuren niet heel goed zien.
Het is dus duidelijk dat wij, als wij willen veranderen, ons kernmateriaal zullen moeten veranderen.
Aangezien het ons Kind is geweest dat in den beginne onze beleving heeft
georganiseerd, kunnen we door met het Kind in contact te treden ons
kernmateriaal rechtstreeks en onmiddellijk wijzigen.
Het werken met het Kind is een belangrijk nieuw therapeutisch
werktuig en verschilt enorm van de manier waarop in het verleden therapie
bedreven werd.
Een van de grote vorderingen die er in onze generatie gemaakt zijn is wel
geweest dat kindermishandeling aan de kaak gesteld is. Wij zijn gaan inzien dat onze
heersende regels betreffende het opvoeden van kinderen hun schenden en geweld
aandoen in hun uniek-zijn en hun waardigheid. Deze
regels hebben deel uitgemaakt van onze emotionele verblinding.
Alice Miller heeft met
pijnlijke helderheid aangetoond hoe onze moderne
opvoedingsregels er op gericht geweest zijn het kind in het ideaalbeeld van de
ouder te laten passen.
Zij hebben eveneens het verwonde Kind gedwongen tot het idealiseren van de
ouders. Een dergelijke idealisering schept een fantasiebinding waardoor het
verwonde Kind zich verzekerd voelt van de liefde van zijn ouders. Maar zij
heeft ook generaties lang de kindermishandeling in stand gehouden.
We kunnen ons verleden totaal niet veranderen, de krenkingen
die ons in onze kindertijd zijn aangedaan, kunnen we niet ongedaan maken. Maar
we kunnen wél onszelf veranderen, onszelf 'repareren', onze verloren
integriteit heroveren.
Dat kunnen we doen door te besluiten de in ons lichaam opgeslagen kennis van
wat vroeger gebeurd is nader te bekijken en deze dichter bij ons bewustzijn te
brengen. Dat is inderdaad een ongemakkelijke procedure, maar het is de enige
die ons de mogelijkheid biedt eindelijk de onzichtbare en toch zo wrede
gevangenis van de kindertijd te verlaten en onszelf te transformeren van onbewust
slachtoffer van het verleden in een verantwoordelijke mens die zijn
geschiedenis kent en ermee leeft.
De verdringing van vroeger ondergane wrede mishandelingen drijft veel mensen er
bijvoorbeeld toe het leven van anderen en dat van zichzelf te verwoesten,
huizen van buitenlandse burgers in brand steken, wraak nemen en dat dan nota
bene ook nog 'patriottisme' te noemen, teneinde de waarheid voor zichzelf te
verbergen en de vertwijfeling van het gemartelde kind niet te voelen. Vroeger
moest ik me vaak afvragen of we ooit zouden kunnen begrijpen aan hoeveel
eenzaamheid en verlatenheid wij als kinderen blootgesteld zijn geweest. Inmiddels weet ik dat dit inderdaad mogelijk is. Ik denk
hier niet aan kinderen die duidelijk verwaarloosd zijn
opgegroeid en met die waarheid volwassen zijn geworden. Ik bedoel hier de
talrijke mensen die in therapie komen met het beeld van een gelukkige en
beschutte kindertijd, waarmee ze zijn opgegroeid. Het betreft hier patiënten
die zelf veel mogelijkheden of zelfs talenten hadden, die ze ook hebben
ontwikkeld, en die soms vanwege hun gaven en prestaties werden geprezen. De
internalisering van het oorspronkelijke drama is zo volmaakt geslaagd dat de
illusie van de goede kindertijd overeind kan blijven.
Om het psychisch klimaat van een dergelijke kindertijd
te kunnen beschrijven, wil ik eerst een aantal stellingen formuleren waarvan ik
uitga.
Het is een van de oerbehoeften van het kind om van het begin af gerespecteerd en serieus
genomen te worden als wat het in zijn verschillende ontwikkelingsfasen in
werkelijkheid is.
'Wat het in zijn verschillende ontwikkelingsfasen is' wil zeggen: de gevoelens, de gewaarwordingen en
de expressie daarvan, en dat geldt al voor de zuigeling.
In een sfeer van respect en verdraagzaamheid voor de gevoelens van het kind kan
het kind in de scheidingsfase de symbiose met de moeder opgeven en geleidelijk
overgaan tot autonomie. Om deze voorwaarden voor een gezonde ontwikkeling
mogelijk te maken, zouden de ouders van die kinderen eveneens in een degelijk
klimaat moeten zijn opgegroeid. Zulke ouders zouden hun kind het gevoel van
veiligheid en geborgenheid kunnen geven waarin zijn vertrouwen kan groeien.
Ouders die zo'n klimaat als kind niet hebben gekend,
zijn noodlijdend, dat wil zeggen: ze zoeken hun hele leven naar wat ze op het
juiste moment niet van hun ouders hebben kunnen krijgen: iemand die helemaal op
hen ingaat, hen volledig begrijpt en serieus neemt.
Dat zoeken zal natuurlijk nooit geheel bevredigd worden, want het heeft
betrekking op een onherroepelijk voorbije situatie: de eerste tijd na de
geboorte.
Een mens met een onbevredigde en onbewuste - namelijk afgeweerde -
behoefte is echter onderworpen aan de dwang om zo'n
behoefte op allerlei surrogaatmanieren toch nog te bevredigen zolang hij zijn verdrongen levensgeschiedenis
niet kent.
Het geschikst daarvoor zijn de eigen
kinderen. Een
pasgeboren baby is met huid en haar aan zijn ouders overgeleverd. En omdat zijn
leven afhankelijk is van hun aandacht, doet de zuigeling ook alles om ze niet kwijt
te raken. Het kind zal vanaf zijn eerst levensdag alles doen om te overleven,
net als een jong plantje dat met de zon meedraait.
In de loop van mijn twintigjarige werkzaamheid als therapeute
ben ik telkens weer geconfronteerd met een lot in de kindertijd dat mij
typerend leek voor mensen met helpend beroep.
Er was een emotioneel erg onzekere moeder die voor haar gevoelsevenwicht was
aangewezen op bepaalde gedragingen of een bepaalde geaardheid van het kind. Het
is heel goed mogelijk dat die onzekerheid voor het kind en de complete omgeving
verborgen is gebleven achter een harde, autoritaire en zelfs totalitaire
façade.
Daarbij kwam een verwonderlijke bekwaamheid van het kind om die behoefte van de
moeder of van beide ouders intuïtief, dus ook onbewust, aan te voelen en te
beantwoorden. Dat wil zeggen: om de functie van het kind onbewust was
opgedragen, ook te aanvaarden.
Daarmee verzekerde het kind zich van de 'liefde' van zijn
ouders. Het voelde dat het in een behoefte voorzag en daardoor kreeg zijn leven
zin.
Deze aanleg tot aanpassing wordt nader uitgewerkt en vervolmaakt, en zulke
kinderen worden niet alleen de moeder (vertrouweling, trooster, raadgever,
steunpilaar) van hun moeder, maar nemen ook verantwoordelijkheid op zich voor
broers en zusters, zodat bij hen tenslotte een heel
bijzondere gevoeligheid voor onbewuste signalen van behoeften bij de ander
ontstaat.
Geen wonder dat ze later vaak het beroep van psychotherapeut kiezen.
Wie anders zou, zonder een dergelijke voorgeschiedenis, de belangstelling
opbrengen om de hele dag te speuren naar wat zich afspeelt in het onbewuste van
een ander? In het ontstaan en de vervolmaking van dit
gedifferentieerde sensorium, dat het kind al vroeg
ertoe brengt een helpend beroep te kiezen, liggen echter ook de wortels van de
stoornis. Deze drijft de helper ertoe zijn in de kinderjaren niet vervulde
behoeften telkens weer te willen bevredigen bij surrogaatpersonen.
De vroege aanpassing van de zuigeling leidt ertoe dat de behoeften van het kind
aan liefde, respect, weerklank, medeleven, weerspiegeling verdrongen moeten
worden.
Hetzelfde geldt voor de gevoelsreacties op ernstig falen, hetgeen ertoe leidt dat
bepaalde eigen gevoelens (bijvoorbeeld jaloezie, afgunst, woede, verlatenheid,
machteloosheid, angst) in de kinderjaren en vervolgens als volwassene niet
ervaren kunnen worden. Dat is juist zo tragisch omdat het hier gaat om mensen
die in wezen in staat zijn tot gedifferentieerde gevoelens. Men merkt dat
wanneer ze belevenissen uit hun kindertijd beschrijven die vrij waren van angst
en pijn. Meestal heeft dat betrekking op
natuurervaringen. Daarbij konden ze gevoelens hebben zonder hun ouders te
kwetsen, ze onzeker te maken, hun macht te besnoeien, hun evenwicht in gevaar
te brengen.
Ze hebben een hele kunst ontwikkeld om gevoelens op afstand te houden, want een
kind kan die alleen beleven wanneer er iemand bij is die het mét die gevoelens
aanvaardt, begrijpt en begeleidt. Wanneer zo iemand ontbreekt, wanneer het kind
het risico loopt de liefde van moeder of surrogaatpersoon te verliezen, dan kan
het de natuurlijkste gevoelsreacties niet 'in zijn eentje', in het geheim
beleven - het moet ze verdringen. Maar ze blijven als informatie in zijn lichaam
opgeslagen.
In het gehele verdere leven van zo iemand zullen die
gevoelens kunnen opleven als herinnering aan het verleden, maar zonder dat de
oorspronkelijke samenhang duidelijk wordt. De betekenis kan pas ontraadseld worden wanneer men erin slaagt
verband te leggen tussen de oorspronkelijke situatie en de thans ondergane
intense gevoelens.
De nieuwe, blootleggende therapeutische methoden gaan van die
wetmatigheid uit en stellen
ons in staat ervan te profiteren.
Laten we als voorbeeld nemen het gevoel dat men verlaten is. Niet het gevoel van een volwassen mens die
zich eenzaam voelt en daarom pillen slikt, drugs gebruikt, de bioscoop bezoekt,
bij kennissen op bezoek gaat, nodeloze telefoongesprekken voert om op de een of
andere manier de 'leegte' te overbruggen. Nee, ik bedoel het oorspronkelijke
gevoel van het kleine kind, dat al deze afleidingsmogelijkheden niet heeft, en
dat zijn ouders niet heeft kunnen bereiken met communicatie, verbaal dan wel
preverbaal. Niet omdat het zulke slechte ouders had, maar omdat de ouders zelf
noodlijdend waren, aangewezen op een bepaalde, voor hen noodzakelijke reactie
van het kind, omdat ze zelf eigenlijk kinderen waren, op zoek naar een
beschikbaar mens. En hoe paradoxaal het ook mag klinken -
een kind is beschikbaar. Een
kind kan niet bij je weglopen, zoals je eigen moeder destijds heeft gedaan. Een
kind kun je zo opvoeden dat het wordt zoals je graag wilt. Bij het kind kun je
respect krijgen, je kunt eisen dat het je eigen gevoelens beleeft, je kunt je
spiegelen in zijn liefde en bewondering, je kunt je in vergelijking met het kind
sterk voelen, je kunt het aan een vreemde overlaten wanneer je het zelf niet
aankunt, je voelt je eindelijk het middelpunt van de belangstelling, want de
ogen van het kind volgen de moeder op de voet. Wanneer een vrouw tegenover haar
moeder al die behoeften heeft moeten onderdrukken en verdringen, dan kan ze nog
zo ontwikkeld zijn, maar bij haar eigen kind komen die behoeften te voorschijn
uit de diepte van het onbewuste, en ze eisen bevrediging. Het kind voelt dat
duidelijk aan en houdt al heel vroeg op eigen behoeften te uiten.
Wanneer echter later bij de volwassene tijdens de therapie de
gevoelens van verlatenheid van destijds opkomen, dan gebeurt dat met zo'n hevige pijn en vertwijfeling dat we volledig begrijpen: die mensen zouden
destijds hun pijn niet hebben overleefd.
Daarvoor zou een empathische, begeleidende omgeving
nodig zijn geweest, en die had nu juist ontbroken. Bij de afweer van bijvoorbeeld het vroeg-kinderlijke
gevoel van verlatenheid vindt men allerlei mechanismen.
Naast simpele loochening zien we meestal de aanhoudende, uitputtende worsteling om met behulp
van symbolen
(verdovende middelen, groepen, alle mogelijke culten, perversies) tot
bevrediging van de verdrongen en inmiddels
geperverteerde behoeften te komen. Vaak ziet men rationalisaties, want die bieden een uiterst betrouwbare vorm van
bescherming, die echter een noodlottig effect kan hebben wanneer het lichaam -
zoals bij ernstige ziekten gebeurt - de controle overneemt.
Al die afweermechanismen gaan gepaard met de verdringing van de oorspronkelijke situatie en de
bijbehorende gevoelens.
De aanpassing aan de behoeften van de ouders leidt vaak (maar niet altijd) tot
de ontwikkeling van de 'alsof-persoonlijkheid', of tot wat men vaak het
onechte zelf noemt. De
mens ontwikkelt een houding waarbij hij alleen laat zien wat er van hem wordt
verlangd en hij geheel opgaat in wat hij laat zien. Het ware zelf kan zich niet
ontwikkelen en differentiëren, omdat men daarnaar niet kan leven.
Omdat het zo moeilijk is eigen, echte gevoelens te ervaren en te ontplooien,
ontstaat er een blijvende binding, waarbij geen afbakening mogelijk is. De
ouders hebben namelijk in het verkeerde zelf van het kind de gezochte
bevestiging gevonden, een surrogaat voor de zekerheid die hun ontbreekt, en het
kind, dat geen eigen zekerheid heeft kunnen opbouwen, is eerst bewust en later
onbewust afhankelijk van zijn ouders. Het kan niet op zijn eigen gevoelens
afgaan, heeft daarmee geen ervaring opgedaan, het kent zijn ware behoeften
niet, het is in hoge mate van zichzelf vervreemd. In die situatie kan het zich
niet van zijn ouders losmaken, en ook als het de volwassen leeftijd heeft
bereikt, wenst het voortdurend bevestigd te worden door personen die de
'ouders' vertegenwoordigen, zoals partners, groepen en bovenal de eigen
kinderen.
De erfgenamen van de ouders zijn de onbewuste,
verdrongen herinneringen, die ons dwingen het ware zelf diep voor onszelf te
verstoppen.
Zo volgt op de eenzaamheid in het ouderlijk
huis het latere isolement in onszelf.