SAdE
Wat is SAdE? Om antwoord op deze vraag te geven citeren we het voorwoord van de heer Rus, geschreven ter gelegenheid van het verschijnen van een selectie uit het werk van SAdE:
Voorwoord
SAd'E staat voor Salon Artisanal d'Écriture, een poëzie-genootschap, opgericht en bemand door een aantal studenten van de vakgroep Frans van de Rijksuniversiteit te Utrecht op 8 maart 1985 (1). Exclusiviteit stond van meet af aan hoog in het vaandel: aspirant-leden moesten een proeve van bekwaamheid afleggen, en werden slechts tot het genootschap toegelaten als alle zittende leden hun ja-woord gaven. De SAd'Erriers beschouwden zichzelf als "semi-Oulipiens", dat wil zeggen dat zij zich verwant voelden aan Raymond Queneau en de zijnen, wier werken zich kenmerken door technische perfectie, gepaard aan humor, knap geconstrueerde literatuur, met hier en daar een knipoog naar de lezer. Die technische perfectie en die humor zijn inderdaad terug te vinden in de door SAd'E geproduceerde gedichten, en wel in zodanige mate dat ik SAd'E-dichters zonder aarzelen de Grote Rederijkers van de literatuur van deze eeuw zou willen noemen. Voor wat hun technisch talent betreft: zij hebben, net als de Rederijkers indertijd, de poëzie verrijkt met talloze nieuwe dichtvormen, gebundeld in een ware Encyclopedie, zoals de palissade, de fatrasade, de croisade, de traversade, de limerisade, de salade, de calebassade, de embrassade en de mimage; voorts hebben zij, met jeugdig enthousiasme, de middeleeuwse fatrasie, verbluffend ingewikkeld specimen van onzin-poëzie, nieuw leven ingeblazen (zie elders in deze bundel). Deze opmerkelijke creativiteit op het gebied van dicht-technieken heeft gelukkig niet geleid, zoals in vroeger eeuwen meer dan eens geschied is, tot dorre, fletse producten: in welhaast elk gedicht klinkt een SAd'Erriaanse lach, die gegenereerd wordt door een humoristisch woord- of klankspel, geheel in de geest van de Rederijkers en de Oulipiens. Zoals in het sonnet Zonet (Wim Schot): "Een dichter is vaak visser met een te groot net / Een sonnet is zo'n net"; cf. (id.): "God zei en het was / Ik zeg en het is weg".
Dit gevoel voor humor blijkt trouwens ook uit de archieven van het poëzie-genootschap, die ik heb mogen raadplegen: ik noem de verschillende variaties op de naam "SAd'E" ("Société Anale d'Excrétion", "Scatologie Artificielle d'Equilibres", "Summum Artistique d'Enivrement", "Syndicat Anonyme d'Eunuques", "Sans Aucun dogme Evident", "Substitution Alcoolique d'Eau", enz.), het wetenschappelijk gefundeerd onderzoek naar de oorsprong en de historische bijsmaak van de naam "SAd'E" (in de middeleeuwen, volgens het gezaghebbende woordenboek Tobler-Lommatzsch, "schmackhaft", "anmutend", "reizend", "lieblich"), en van perifere termen, zoals "sadement", "sadet", "sadera, saderala don" (in de oud-Franse pastourelle), "sarde" ("edelsteen") en "sadinet" ("vrouwelijk geslachtsdeel") - significante betekenisverwantschappen, dunkt me.
Uit diezelfde archieven blijkt ook, hoe belezen de SAd'E-dichters zijn: de intertekstualiteit viert hoogtij en verraadt dat er, behalve Queneau cum suis, nog andere literaire voorvaderen zijn, zoals Rimbaud ("Rimbaud Warrior") en Rabelais (speciaal de beroemde Propos des bien yvres, die de sfeer van de bijeenkomsten van de SAd'E-groep schijnen te benaderen).
De SAd'E-dichters hebben de publiciteit nooit geschuwd: hun poëmen sierden jarenlang het roemruchte en veelgelezen Universiteitsblad "Oase"; eens per jaar kenden zij aan een beginnend dichter de felbegeerde "Prix SAd'E" toe, een evenement van de eerste orde, en bovendien hebben Nanne Nauta en Wim Schot er ooit in toegestemd een aantal Mimages (korte, geïllustreerde gedichten) te exposeren in de Openbare Bibliotheek van Utrecht, zodat ook gewone Utrechters kennis konden nemen van hun werk. SAd'E bestaat niet meer, helaas (2). De dichters zijn ieder hun eigen weg gegaan, een weg die niet altijd met poëzie geplaveid was. Moge deze bloemlezing de herinnering aan dit Rederijkersgenootschap levend houden, en ertoe bijdragen het fenomeen SAd'E de plaats te geven die het toekomt:
een ereplaats in de handboeken der poëzie.
Martijn Rus, docent Franse Letterkunde aan de Universiteit van Utrecht
Uit:
SAdE
ISBN: 90-71196-38-0, 226 paginas
Beekbergen, 1995, Nederland