SAd’E en de Fatrasie

 

 

A! fatrasie

na paasmaandag dacht
Allah dat ’t nacht
was; ga maar na, maan
al vlak na half acht.
kaastaart jat nachtwacht;
kwam 't dáár vandaan?
ja, waar bal na bal afgaan
gaat maagd anaal aan haal, zacht,
alras aan 'n rasbanaan;
acht-karaats kalf vraagt aandacht,
maar ach, ga daar maar aanstaan!

RV

 E! Fatrasie

Jé! ze zweet er twee
en zegt zelden nee
tegen de peentegels.
Zelf regent het vee-
Stenen, negerthee-
Pelse en helse kegels
Geven de hemelse vlegels
Speenvleesjes: speel met me mee,
Belg! Meer geld en zeven zegels
Leverden een beverzee,
Weer tegen dezelfde regels!

BJ

 

 E-fatrasie

Zeker weten: beest
(melkhen, theeëend) vreest
gevelteef en zede
der leedwezens. "Weest
bekleed met kreeft", leest
ze. Kleeft een peenschede?
Geef me zeven repen schede-
En tepelvlees, Kees, snel. Feest?
Nee, vertekend beeld. De vrede
Levert negerreten. "Geest
Nekt wet", delen Perzen mede.

WR

 

 

I ! fatrasie

dichtcrisis: ik spring.
lipschisis: ik zing
"bid in 't midschip".
schim zit in sing-sing
sinds dit wicht 'm ving.
driftig? pils? 'n trip?
nihilistisch richt diklip
viltstift kinds hitsig in richting
Miss Minibikinislip,
wrikt kritisch z'n pik in fitting,
trimt zich ginds fit in 'n wip.

RV

 O! Fatrasie

'n Boor op 'n bol
kookt kool op 'n knol.
'n Drolspoor loopt dood.
Oh God, 'n kloot wol
loost kots voor 'n snol.
Soms stond 't stokbrood
doofstom op. Toch voor 'n boot
mocht 't koor ook zo strontvol.
't Potlood zoog z'n zool rood
voor 'n roos op 'n bromtol.
'n Non rook wondvocht: VOOSNOOD!

NN

 

 

U! fatrasie

duw munt,.. muur spuwt vuur:
nul stuks. huh? fuck!.. duur!
knul zucht: lunch dus klucht.
vult uw brunch uw uur?
duldt u hun prulvuur?
nu smult u. junk zucht.
Turk plukt gul stuk huursculd, vlucht...
tumult! durft kuur, zult blust zuur.
hun urn kust u; druk grut kucht:
kutusufructuscultuur!!!
u brult? stuurs lult Ubu: tucht!

RV

 IJ! Fatrasie

grijs lijk knijpt zijn wijf
bij fijn ijsrijp lijf:
hij schrijft blij: vijf wijd.
zij vrijt, zij hijgt: blijf!
hij wrijft zijn lijm stijf
wijl zij zijn bijl splijt.
bij zijlijn wijkt drijfijs; "tijd,
kijk mij, mijn vijl, mijn slijpschijf;
vrij bijtijds zijt gij mij kwijt!"
blij grijpt Rijswijk Spijk: vijf-vijf,
zijn pijpvlijt rijmt bij mijn schijt.

RV

 

 IJ-fatrasie

ít Blijkt: 't IJ bijt
wijl vijf mijl ijstijd
blij strijdt. Knijpt gij, vijl?
Lijkt hij zijn nijd kwijt?
'n Pij hijst 't krijt,
'n ijk prijst 'n bijl,
glijdt vrij. 't Tij rijdt 'm ijl.
Kijk bijwijf, zijt gij mij? Tijd!
'n Hijgwijs hijgt: wijd, dij, gijl!
Wijn mijdt zijlijn, rijmt nijlmijt.
Zij lijdt: vrijpijn! krijst een pijl.

WR

 

 

OE-fatrasie

'n Schroef groet 'n stoet:
"z'n stoephoer boert goed!"
roept boer Koekkoek woest.
Stoer loenst 'n poelkoet
"Hoensbroek, poep 'ns zoet"
joelt 'n loephoes. Hoest
Sjoerds kroepoekmoestoevoer roest?
'n Stoel voedt 'n goeroehoed.
Toe, toerbroer, hoe zoent Soest? Koest?
'n Moer voelt bloem, m'n soes bloedt.
Koen, 'n voetzoek.. BOEM!!! 't Moest.

WR

 Fatra in lip-overs

Ik vind in dit grind
geen veer en geen cent.
Maar ja, Barbara,
ons lot wordt bolrond.
't Vuur kust 'n munt,
'n haas vangt 'm dra.
Hitsig zingt Ingrid dit pri-
eel verder. Een been, merkend
dat van 'n wasbak 'n ka-
trol losloopt, knoopt op zín kont
'n puur stuk pus. Dus smult U!

NN

 

 

 

Een wortel vliegt heen,
zijn punt in een speen;
zijn vrouwtje zegt:"Stom!"
en hapt dus meteen
een stuk uit haar scheen,
dat groeit tot slakom,
die wint in de slalom.
Wortel, vrouwtje, speen en scheen
worden gekeeld door een gom;
een stoel speelt Bach op zijn teen;
Wees stoel! U weet wel waarom!

WS

 

 

Er dansten ogen,
kleine tenen vlogen
een blouse at rouwkost
een peer, bevlogen
en opgetogen
las Paradise Lost.
Aldus van waanzin verlost,
is de worm Zeist gaan zogen;
zei dat het geen moeite kost,
innerlijk op te drogen
want zijn borst is vol bebost!

WS