Stichting "vrienden
van de stichting Oud Alkemade" opgericht
Op 16 november 2000 is ten kantore van notaris Zuidhof te Oude Wetering
de stichting Vrienden van de Stichting Oud Alkemade opgericht. In
de stichtingsakte is vastgelegd, dat de nieuwe stichting ten doel
heeft het bestuur van de Stichting Oud Alkemade te ondersteunen bij
het beheren en het gebruik van het Historisch Centrum aan de Saskia
van Uylenburchlaan 22.
“Is zo’n stichting nodig?”, zou u zich kunnen afvragen. Wij vinden
van wel. Het beheren en gebruiken van het Historisch Centrum begint
erg veel tijd te vragen van de bestuursleden van de Stichting Oud
Alkemade. Daardoor dreigen andere activiteiten te weinig aandacht
te krijgen. Dat leverde soms opmerkingen op, die volkomen terecht
werden geuit. Zoals al eerder bekend is gemaakt, wordt hard gewerkt
aan uitbreiding van het Historisch Centrum. Dit project wordt ontwikkeld
om de beschikking te krijgen over meer opslagruimte met moderne voorzieningen,
zodat het materiaal van de stichting beter bewaard kan blijven voor
de toekomst. Maar er bestaan nog meer plannen binnen de Stichting
Oud Alkemade. Te denken valt aan het organiseren van nieuwe tentoonstellingen,
gericht op het vroegere leven en werken in de gemeente Alkemade. Het
verzamelen en opslaan van oude voorwerpen en materialen is hierbij
onmisbaar. Daarnaast is het archiveren van oude foto’s en documenten
van groot belang voor het in beeld houden van het verleden.
Redenen genoeg om de tijd van de bestuursleden niet aan zulke taken
te besteden, maar de interne gang van zaken binnen het gebouw aan
anderen over te laten.
Het bestuur van de nieuwe stichting bestaat uit George Bakker (voorzitter),
Joke Rietbroek (penningmeester) en Geert-Jan van Beek (secretaris).
Het bestuur is bereikbaar via het secretariaat, telefoon 071-3313777.
“Ik heb de oorlog overleefd!”
Op 4 mei vindt de jaarlijkse dodenherdenking plaats bij het herdenkingsmonument op de Noordhoek in
Roelofarendsveen. Vijfenzestig jaar na de bevrijding lijkt het de redactie een goed moment stil te
staan bij de ontstaansgeschiedenis van het monument en bij de oorlogservaringen van degene, die samen
met de burgemeester de laatste tien jaar bij het monument de krans legt voor de gevallenen.
Het monument
Bij koninklijk besluit van 15 oktober 1945 wordt bekend gemaakt dat het oprichten, plaatsen of aanbrengen
van oorlogs- of vredesmonumenten slechts geoorloofd is na goedkeuring van de minister van Onderwijs, Kunsten
en Wetenschappen. Ontwerpen van plaatselijk belang moeten bij een provinciale commissie ter goedkeuring worden
voorgedragen.
Op dat moment is er in de gemeente al een comité onder voorzitterschap van burgemeester J.W. Peek dat in de
gemeente Alkemade een monument wil oprichten. Er is ook al een ontwerp, gemaakt door de kunstenaar Antoon van
Welie uit Den Haag. Het moet een Christus- of H. Hartmonument worden. Dit idee wordt vooral gestimuleerd vanuit
het Rooms Katholieke volksdeel en met name door pater Eustachius van Lieshout. Het ontwerp wordt echter in
juli 1946 om esthetische redenen afgekeurd door de provinciale commissie.
Intussen is er een ander comité opgericht, dat onder leiding staat van het raadslid J.A. van der Broek. Het
comité wil een stukje grond van tien à vijftien vierkante meter vlak bij het viaduct in Nieuwe Wetering kopen
om een herdenkingsmonument voor de gevallenen in de Tweede Wereldoorlog te plaatsen. Dit comité wil geen
gecombineerd monument, in de zin van godsdienstig en herdenkingsmonument ineen. De reden is de angst dat de
onderlinge eensgezindheid onder de burgers een gevoelige klap zal krijgen. Intussen heeft het comité de
kunstenaar P.W Killaars in Tegelen gevraagd een ontwerp te maken.
Pater Eusebius van Lieshout, die zich in zijn ‘Veense’ tijd had ingezet voor de plaatsing van een Heilig
Hartmonument, verblijft in die tijd als missionaris in Brazilië, maar als hij op verlof in Nederland hoort
van de gang van zaken, wordt hij erg kwaad en roept uit: “En ik zeg je: zolang het Heilig-Hartmonument er
niet staat, zal er niets van betekenis in de plaats tot stand komen, niets dat zegen afwerpt.”
Intussen overweegt het College van Burgemeester en Wethouders nog even twee monumenten op één stukje grond
op te richten. Maar omdat het eerste ontwerp is afgekeurd, wordt besloten het tweede voor te leggen aan de
Provinciale commissie. Deze commissie gaat akkoord en in januari 1949 komt de goedkeuring van de minister.
Het monument wordt opgericht in de zijtuin van het gemeentehuis en op 6 september 1949 onthuld. Het ontwerp
van het monument bevat een staande en een gevallen figuur. De staande figuur trekt een zwaard, dat symbool
staat voor de geest van het verzet. Aan de voorzijde is een reliëf te zien met daaronder een gemetseld kruis.
Op het reliëf is de afbeelding aangebracht van een wegvliegende vogel met een korenaar in zijn snavel, met
daaronder de tekst: “Zij legden getuigenis af van moed en trouw jegens het vaderland.” Aan de achterkant
bevindt zich een tableau met de afbeelding van een Duitse laars, die de Nederlandse tulp vertrapt. (Inmiddels
is de tulp het symbool van Roelofarendsveen). Op de zijkant is op 12 april 1994 een tegel aangebracht, ontworpen
door Chr. Groothoff uit Oude Wetering, ter nagedachtenis aan de gevallenen in Nederlands-Indië.
Oorlogservaringen van een plaatsgenoot
M.G.J. (roepnaam Leo) van Zeeland woont al drieëntwintig jaar in Roelofarendsveen. Sinds tien jaar legt
hij tijdens de dodenherdenking op 4 mei samen met de burgemeester de krans bij het monument. We zijn hem
gaan vragen naar zijn betrokkenheid bij het monument en dit is zijn verhaal.
Na mijn opleiding kreeg ik een plaats op de Hertog Hendrik, een schip dat werd ingezet als konvooibegeleider
tijdens de Spaanse burgeroorlog. Vier maanden lang voer ik op en neer door de Straat van Gibraltar om
koopvaardijschepen te begeleiden. Op 10 mei 1939 vertrok ik naar Nederlands-Indië. Met het passagiersschip
de Baloeran voer ik in vijf weken naar Surabaya. Hier aangekomen werd ik direct geplaatst als matroos 1e klas
op de torpedobootjager van Gent. De vloot bevatte zeven torpedobootjagers, waarvan er altijd één in reparatie
was. Omdat de van Gent na één jaar in reparatie moest, kreeg de bemanning een overplaatsing naar de Piet Hein,
eveneens een torpedobootjager. We werden regelmatig gerustgesteld over de kracht van de Japanse marine en we
maakten vele reizen, ondermeer naar Nieuw-Guinea. Borneo, Celebes en Sumatra.
In 1941 liep ik buiktyfus op. Ik werd drie weken opgenomen in een ziekenhuis en daarna nog drie weken in
berghotel Lawoe bij Sarangan op Midden Java. Daarna keerde ik terug naar Surabaya, om direct weer ingezet
te worden.
De Japanners waren intussen druk doende heel Zuid-Oost-Azië te veroveren. Ze deden dit met een enorme
overmacht aan schepen en vliegtuigen en veroverden eiland na eiland.
Op 15 februari 1942 voer ik met een groot eskader tussen Banca en Billiton. Mijn schip, de van Gent, was het
buitenste schip. Ondanks waarschuwingen aan de vlootleiding liep het schip om vijf uur ’s ochtends met een
enorme klap op de rotsen. Zodra de Japanners het schip ontdekten werd het gebombardeerd, maar we waren reeds
opgepikt door de torpedobootjager Banckert en werden teruggebracht naar Surabaya. Hier werden we op de Witte
de With geplaatst.”
De slag in de Javazee
“Op 26 februari werd in Surabaya een conferentie gehouden van alle commandanten van de geallieerde vloot om
afspraken te maken over de onderlinge communicatie, mocht het tot een treffen komen met de Japanners. Die avond
om zes uur vertrok de vloot, bestaande uit vijf kruisers en negen torpedobootjagers, naar zee. Schout bij Nacht
Karel Doorman had het opperbevel. De hele nacht werd er geen vijandelijk schip gesignaleerd en tegen de ochtend
keerde de vloot terug naar Surabaya. Op dat moment kregen we van Vice Admiraal Helfrich de opdracht om
rechtsomkeer te maken. Er was namelijk een grote vijandelijke vloot waargenomen, die op weg was naar Java.
Wij kregen de opdracht om deze onmiddellijk aan te vallen en te vernietigen.
Tijdens het gevecht dat volgde, werd de Korevaer door een torpedo getroffen en tot zinken gebracht. Even later
werd de Exeter zwaar beschadigd door Japans geschut en moest vaart minderen. Mijn schip, de Witte de With kreeg
de opdracht de Exeter te verdedigen en terug te brengen naar Surabaya. De Japanse torpedobootjager Asuguma
probeerde een aanval op de kreupele Exeter. Wij raakten in gevecht met de Asuguma en door twee voltreffers
wisten we het Japanse schip uit te schakelen. Toen verdween de Asuguma achter een nevelgordijn en was de weg
naar Surabaya vrij. De volgende dag kregen we weer het bevel uit te varen. Voor het echter zover kwam doken er
voor de derde keer die dag Japanse bommenwerpers op. Ons schip kreeg een voltreffer en kwam met zijn neus in de
modder terecht. Wij zochten een goed heenkomen in een aantal stoomketels, die aan land stonden. Hier wachtten
we het bombardement af. Toen het weer rustig was geworden konden we per bus het station bereiken en met de
allerlaatste trein ontsnapten wij aan de Japanners. We reisden dwars door Java naar de havenstad Tjilatjap.”
Uiteindelijk bleken bij de slag in de Javazee ruim 2200 marinemensen te zijn omgekomen, waaronder 915 Nederlanders
en Indonesiërs.
Uitgeweken naar Australië
“In de havenstad Tjilatjap gingen we op 2 maart 1942 aan boord van het vrachtschip Sloterdijk en verlieten
Indië. Nog vierentwintig schepen met vluchtelingen vertrokken op hetzelfde moment. Dertien schepen zouden nooit
aankomen. En slechts 55 van de 153 bemanningsleden van de Witte de With bereikten Australië. De Sloterdijk,
die afgeladen vol was, voer via een grote omweg naar Perth in Australië. Aan boord was te weinig voedsel,
geen slaapgelegenheid en geen reddingsmiddelen. In Perth kregen we dekens en een uniform van de Australische
landmacht. Na de nodige omzwervingen in Australië werden we in Adelaide aan boord van het troepentransportschip
Takliwa geplaatst, dat ons naar Colombo in Ceylon (het huidige Sri Lanka) bracht. Maar ook daar was het niet
veilig en daarom kregen we al snel de opdracht om met de Colombia, een moederschip voor onderzeeboten, naar
Bombay in India te varen.
Hier ontdekte ik dat ik steeds meer moeite met lezen kreeg en nadat ik een scheepsarts had bezocht, moest
ik in de stad een leesbril gaan kopen, niet te duur en niet te goedkoop. Dit feit betekende het einde van
mijn tot nu toe gevolgde carrière bij de marine. Ik kon echter nog wel wat anders doen. Nog in Bombay begon
ik aan boord van de Colombia met een opleiding van een jaar tot bottelier (proviandmeester).
Uit veiligheidsoverwegingen moest de Colombia opnieuw uitwijken en ditmaal naar Kenia. En zo kwam ik in
Mombasa terecht. Hier bleef ik drie weken en vertrok toen naar East London in Zuid-Afrika. Op 27 februari 1943,
precies een jaar na de slag in de Javazee, vertrokken we opnieuw met de Colombia. Enige uren na het verlaten van
de haven van East London werd het schip getorpedeerd door een Duitse U-boot. Een torpedo kwam in de eetzaal
terecht, waar nog acht bemanningsleden zaten te eten. Een kwartier eerder en er waren veel meer slachtoffers
gevallen. Ik werd met de andere overlevenden weer naar East London gebracht door een korvet van de Zuid-Afrikaanse
marine. Hier werden we hartelijk opgevangen. Later kwam ik na een lange treinreis door de Zuid-Afrikaanse
wildernis en gekleed in een uniform van de Zuid-Afrikaanse landmacht, in Kaapstad terecht. Hier kreeg ik een
nieuw Nederlands paspoort, dat me toegang gaf tot alle landen ter wereld, behalve Nederland. Dat was vanwege
de Duitse bezetting.”
Terug naar Engeland
“In Kaapstad lag het grootste cruiseschip ter wereld, de Queen Mary gereed om mij en nog zestienduizend
andere militairen, waaronder drieduizend Italiaanse krijgsgevangenen, naar Engeland te brengen. Daar werd
intussen de invasie in Normandië voorbereid.
Begin mei 1943 arriveerden we na een spannende reis in de Schotse haven Greenock. Van hieruit gingen we per
trein naar Portsmouth. Ik kreeg een plaats aan boord van de kruiser Sumatra. De Sumatra was het schip,
waarmee prinses Juliana en haar kinderen naar Canada uitweken. Dus ik was wel trots dat ik op dat schip
geplaatst werd. Maar na enige tijd werd ik overgeplaatst naar de Nederlandse motortorpedodienst in Dover.
Deze dienst had ten tijde van de invasie de taak om in samenwerking met de Royal Navy de Straat van Dover
vrij te houden van ondermeer Duitse Schnellboote.
Mijn taak was het om de motortorpedoboten te bevoorraden. Ik had hiervoor een rijbewijs nodig, maar dat
had ik niet. Daarom besloot ik er voor te zorgen dat ik er een kreeg. Ik hield een willekeurige chauffeur
van het Engelse leger aan, die bereid bleek me een keer rijles te geven. Ik leerde mezelf autorijden en ik
kreeg uiteindelijk een groot rijbewijs.
Dover was overigens in die tijd een frontstad, die door de Duitsers vanuit Calais zwaar beschoten werd.
De schepen en het personeel waren ondergebracht in een bunker, die onderaan de krijtrotsen in de haven
gebouwd was.
Pas in september 1944, toen de Duitsers hun laatste granaten op Dover afgeschoten hadden, zat mijn taak
er in Dover op en werd ik overgeplaatst naar de mijnendienst in Harwich. Ook hier kreeg ik de bevoorrading
als taak.”
De oorlog is afgelopen
“Op 8 mei 1945 loeiden de sirenes. Ditmaal geen luchtalarm, maar de aankondiging van het einde van de
oorlog. Plotseling drong het tot me door: ‘Ik heb de oorlog overleefd’. Ik besloot het einde van de oorlog
te gaan vieren in London. Ik trok mijn beste pak aan en reisde per trein naar Liverpoolstreet Station. Toen
ik het station uitkwam belandde ik in het beroemde café Dirty Dick, dat al vol was met feestvierders. Iedereen
was gek van vreugde. ’s Avonds en ’s nachts brandde voor het eerst sinds 3 september 1939 weer alle verlichting.
Kort na de capitulatie kreeg ik met heel veel moeite vier dagen vakantie om mijn familie in Nederland te bezoeken.
Ik kon met de mijnenveger Terschelling mee varen richting Antwerpen. Onderweg vroeg ik de kapitein me af te
zetten op de rede van Vlissingen. Op 21 mei 1945 stond ik weer op Nederlandse bodem. Het was mijn bedoeling
naar mijn familie in Veldhoven toe te gaan. Maar dit bleek in het gesloopte en chaotische Nederland van net
na de bevrijding een enorme opgave. Bruggen waren verwoest en er reden nog maar enkele goederentreinen.
Met hulp slaagde ik er in met al mijn bagage (met extra sigaretten, cornedbeef, fietsbanden en een fles Bols)
per korte dieseltrein naar Middelburg te reizen. Met een veewagen werd ik met dertig andere mensen naar het
station van Bergen op Zoom gebracht. Dankzij de sigaretten kon ik meeliften op een stoomlocomotief, die me
naar Roosendaal bracht. Daarna lukte me het nog om met een lege goederentrein naar Zevenbergen te komen.
Van hieruit werd ik met een veewagen naar Raamsdonk vervoerd. Die nacht reisde ik per lege goederentrein
naar het rangeerterrein van Tongeren, op drie kilometer afstand van Eindhoven. Er zat niets anders op dan
verder te gaan lopen. Onderweg kwam ik een bekende tegen, die me hielp met mijn bagage. Toen we bij een
post van de Binnenlandse Strijdkrachten kwamen, moest ik weer mijn hele verhaal vertellen. De wachtcommandant
liet een jeep met chauffeur komen om me naar het woonhuis van mijn broer te brengen. Vijf jaar lang was er
geen enkel contact geweest. Uiteraard was het een geweldig weerzien en mijn moeder was zo trots als een pauw.
Ze zei dat door mij de oorlog gewonnen was!”
“Ik bleef nog drie en een half jaar varen bij de marine, maar mijn hele verdere leven heeft in het teken
van mijn ervaringen in de oorlogsjaren gestaan. Ik probeerde in samenwerking met instanties de geschiedenis
zo goed mogelijk te reconstrueren en te documenteren. Dit ten behoeve van de nabestaanden van de vele
slachtoffers.”
En tijdens de dodenherdenking op 4 mei bij het herdenkingsmonument staat de bijeenkomst voor Leo in het
teken van al zijn maten, die gevallen zijn. En met hem herdenken vele inwoners van het Alkemadese deel
van de gemeente Kaag en Braassem de overledenen, waarvoor hij met de burgemeester van onze gemeente in
gezamenlijkheid de krans legt. Het is ook de verjaardag van Leo, maar hij zegt zelf: ‘Ik ben iedere dag
jarig, maar niet op 4 mei.”
Bronnen:
Leo van Zeeland
Joop Kret, Het Hart op de Hoek, Roelofarendsveen, 1994
|