Steeds minder onderzoekers zien been in de ETH, de buitenaardsen-hypothese, die wil dat UFO's bezoekers uit de kosmos zijn. De redenen daarvoor zijn simpel, zoals de onderzoeker Jacques Vallée tijdens een conferentie al aangaf. Hij bracht vijf argumenten naar voren die pleiten tegen de buitenaardse herkomst van UFO's:
i. Onverklaarde nabije ontmoetingen komen in grotere aantallen voor dan nodig is voor een inspectie van onze planeet.
ii. Het is niet aannemelijk dat de humanoïde lichaamsstructuur van de aliens op een andere planeet onstaan is en ze is biologisch niet aangepast om in de ruimte te reizen.
iii. Het gerapporteerde gedrag in duizenden ontvoeringsrapporten is tegenstrijdig met de hypothese dat het om genetische of wetenschappelijke experimenten op mensen door een geavanceerd ras gaat.
v. UFO's zijn niet een fenomeen van deze tijd aangezien ze door onze hele geschiedenis opgetekend zijn.
v. Het ogenschijnlijke vermogen van UFO's om tijd en ruimte te manipuleren wijst op totaal verschillende en rijkere alternatieven (dan de ETH).
![]() Het ruimteschip Callisto uit de roman van John Jacob Astor.
|
Een voorbeeld vinden we in wezens uit een UFO die aan het raam aankloppen; moeten we geloven dat miniwezens aan het raam kloppen om binnen te komen? Als we andere verhalen over ruimtewezens mogen geloven dan komen deze door de muren naar binnen en hoeven ze niet te kloppen... In 1988 meldden twee kinderen te Perth, Australië, dat ze op een morgen twee tot drie, minder dan een decimeter lange wezentjes, op het raam hoorden tikken. Achter ze stonden twee zwarte, driehoekige toestellen, al even miniscuul als z'n inzittenden.
Het optreden van buitenaardsen in de Science Fiction gaat lang aan dat van de UFO wereld vooraf. Vooral de planeten in het zonnestelsel vormden een prima decor voor buitenaards leven; men zocht het dicht bij huis. Hoewel in contactverhalen vaak de planeet Venus als herkomst van de UFOnauten genoemd wordt, net als de Pleiaden, Sirius, Orion, Ganymedes, en welk hemellichaam niet (naast een horde aan verzonnen en onzichtbare planeten) is de planeet Mars, na de maan onze meest naaste buur, al sinds het eind der negentiende eeuw favoriet onder stellaire reizigers. Daarvoor al vinden we reizen naar de maan in vroege science fiction, maar een van de eerste verhalen waarin een contactee-achtig verhaal beschreven wordt, samen met een tocht naar verschillende planeten, was 'The History of Israel Jobson, the Wandering Jew', van Mark Wilson, uit 1757. Het verhaalt van Israel Jobson die zich in een staat van wanhoop op de top van Penyghent heuvel in Yorkshire bevindt. Zijn gebeden worden beantwoord door een wolk van mist die de berg bedekt en "een Etherisch Rijtuig daalde af met een boodschapper van de Regio van Zaligheid". De engel zegt hem een kleine hoop stenen op te richten als "een Monument der Oudheid", en om in het rijtuig te stappen.
Het rijtuig neemt hem mee naar de maan, waar hij de metalen maanmensen ontmoet. Op Mars ziet hij de geslachtsloze bewoners die daar zijn om de Schepper te verheerlijken. Hij ziet de wonderen van Jupiter en Saturnus, gaat naar buiten het zonnestelsel, en bereikt bijna de poorten van het Paradijs alwaar hij snel naar de aarde wordt teruggestuurd.
Niet alleen heeft het verhaal veel van de geschriften van de vroege contactees uit de jaren '50 weg, maar we kunnen vergelijkingen trekken met de tocht door zeven hemelen van Mohammed, gezeten op El Borak, of de hemeltocht van Henoch.
Al deze verhalen hebben gemeen dat de hoofdpersoon op reizen door het heelal wordt meegenomen, dat hij quasi-wetenschappelijke beschrijvingen van de verschillende hemellichamen geeft en onderwijl theologische discussies aangaat met de engelachtige gids(en). Nog geen twintig jaar na het Israel Jobson-verhaal, in 1775, laat de Fransman Louis Guillaume de la Folie een Mercuriusbewoner een ruimteschip op aarde demonstreren.
In 1880 verscheen het boek Across the Zodiac van Percy Gregg, waarin een Engelsman op een eiland in de Stille Oceaan een manuscript in code vindt, afkomstig uit het wrak van een neergestort buitenaards toestel. De schrijver van het manuscript heeft het geheim van apergie ontdekt, een vorm van anti-zwaartekracht. De Engelsman bouwt een ruimteschip, de Astronaut genaamd, waarmee hij door het zonnestelsel reist. Op Mars ontmoet hij de Martialen, zoals Gregg ze noemt. Deze Martialen hebben electrisch aangedreven rijtuigen die over geplaveide wegen voortgaan. Ze kennen kopieermachines, microfilm, de telefoon, plastics, electrisch aangedreven ballons, boten die door een waterstraal aangedreven kunnen worden en in staat zijn onder water te varen, en een weelde aan andere technologie. Ook weten ze kunstmest uit afval te halen (een onbetekenend puntje wellicht, maar dadelijk zal de lezer het op waarde weten te schatten).
![]() Illustratie uit H.G. Wells' War of the Worlds, 1898. |
John Jacob Astor laat in 1894 de roman A Journey In Other Worlds het licht zien, na er twee jaar aan gewerkt te hebben. Astor leende de term apergie van Gregg. Niet Mars is de bestemming -hoewel de bewoners ervan wel een rol hebben- maar Jupiter.
De lijst van Mars- en andere zonnestelselbewoners in de vroege Science Fiction zou gemakkelijk met tientallen titels aangevuld kunnen worden.
Het denkbeeld dat Mars bewoond was gaat natuurlijk grotendeels op het werk van Percival Lowell terug. Deze 19e eeuwse astronoom dacht in de 'canali' die Schiaparelli ontdekt had, het bewijs van een hoge beschaving op Mars te zien; een ware Marsrage volgde die aan het eind van die eeuw culmineerde in de tranceverslagen van het medium 'Hélène Smith', de eerste 'channeler' die contact legde met wezens van de Rode Planeet en daar uitvoerig verslag van deed.
De kanalen van Mars bleken, volgens later onderzoek van de planeet, niet te bestaan, maar de astronoom Ivan Dyer, van het Lowell Observatorium, maakte in het begin van de jaren '60 opnames van Mars waarop een fijn netwerk van lijnen te zien was. Ook op andere opnames zijn lijnen te zien. De mogelijkheid bestaat dat de 'kanalen' van Lowell, e.a., hoogteverschillen zijn in de topografie van Mars.
Charles Fort las ergens dat in 1928 (hij wist de precieze publicatie en datum niet meer) een man een stadje in New Jersey was komen binnenwandelen; hij beweerde van Mars te komen. Men sloot hem onmiddellijk op. Toevalligerwijs(?) was New Jersey tien jaar later ook het decor van de invasie van Mars in Orson Welles' hoorspel-adaptie van H.G. Wells' War of the Worlds.
Zowel in 'feit' als in fictie blijkt de planeet Mars bewoond te zijn. Zijn bewoners hebben een weelde aan technologisch spul, maar ontberen kunstmest; die moeten ze op aarde halen bij een boer in de staat New York.
Op 24 april 1964 zag de 28-jarige melkveehouder Gary Wilcox een glimmend object op zijn land liggen. Hij dacht dat het iets van een vliegtuig was, liep er heen en schopte ertegen -er weerklonk geen klank, maar het metaal leek wel harder dan aluminium. Op dat moment verschenen er voor hem twee wezens van ongeveer 1,20 m lang, waarvan Wilcox later opmerkte dat hij niet kon beschrijven of ze handen en voeten hadden als wij, of er zich wel schouders aftekenden, en: "zij hadden geen aangezicht met iets als oren, ogen, neus, mond of haar." Beide droegen een blad met alfalfa en kluiten erop. De wezens knoopten een twee uur durend gesprek aan met Wilcox, waarin ze voorspellingen deden en verhaalden van hun thuisplaneet Mars, waarvan de grond dringend behoefte had aan meststoffen. Ze vroegen Gary om een zak kunstmest.
De wezens gingen uiteindelijk naar hun toestel terug, bukten zich, en verdwenen. Het toestel steeg op en verdween in een paar seconden uit het zicht. Gary liet een zak kunstmest achter op de landingsplaats en bemerkte de volgende dag dat deze verdwenen was.
Het lijkt er trouwens op dat de buitenaardsen tot de dag van vandaag aan hun mest komen. Het Weekly World News tabloid publiceerde in 1995 een verhaaltje waarin werd beweerd dat nomaden in noordelijk Irak beweerden door tientallen buitenaardsen bezocht te zijn geweest in de voorafgaande maanden. De wezens brachten telepatisch aan de herders over dat ze kostbare stenen wilden ruilen voor de mest van schapen en geiten; ze legden niet uit wat ze met de mest deden.
De 'ruimtemannetjes' van de contactpersoon Daniel Fry vertelden hem van Mars afkomstig te zijn. Eens leefden ze op aarde, maar 30.000 jaar geleden deed een nucleaire holocaust hen naar de rode planeet vluchten. Toen Fry ze onmoette hadden ze Mars ook al weer verlaten en leefden ze alleen nog in hun ruimteschip.
We hoeven niet bang meer te zijn voor een invasie van Mars, aangezien we sinds kort weten dat de kans dat de planeet leven herbergt vrijwel nihil is. Geleerden die dachten in meteorieten van Antarctica -die weer van Mars afkomstig heten te zijn- sporen van leven, in de vorm van fossielen, aan te treffen, zijn in het ongelijk gesteld en tot op heden heeft geen van de door ufonauten aangekondigde invasies ooit plaatsgevonden, hoewel in 1908 de Noorse kranten schreven over een ei-vormig luchtschip van een onbekend metaal, dat een noodlanding had gemaakt bij Notodden. Er zaten twee Marsbewoners in die niet weer konden vertrekken. De datum van het bericht geeft ons een hint: het was 1 april.
De elfen schroomden overigens ook niet om over op handen zijnde 'invasies' te praten. Rond 1910 (v.s. 1912) zouden twee jongens, die naar wrakhout zochten op de kust van het eiland Muck, voor de Schotse westkust, twee elfen in het groen ontmoet hebben. De kleine elfen converseerden in het Gaelic en Engels en vroegen de jongens naar hun huis en familie, iets wat tegenwoordig van de UFOnauten gemeld wordt. Toen de wezens weggingen zeiden ze dat ze daar niet meer terug zouden komen, maar dat anderen van hun ras zouden arriveren.
Bovenstaande betreffende het in populariteit afnemen van de buitenaardsen theorie binnen de gelederen van de serieuze ufologen, heeft voor een toename gezorgd van alternatieve hypotheses. Steeds meer onderzoekers bemerkten vanaf de jaren '60 en '70 dat UFO's en URE (UFO related events -aan UFO verwante zaken) verwantschappen met allerhande paranormale verschijnselen vertoonden en dat de wortels van het fenomeen teruggaan in de folklore, mythologie en de fantasieverhalen van onder andere de science fiction. Zij neigen dan ook steeds meer naar parapsychologische, psychosociologische en occulte verklaringen voor het UFO fenomeen. Gezegd moet worden dat het overgrote deel der onderzoekers, vastgeroest in het dogma der ETH, deze verklaringen niet kan of wil volgen en andere diverse hypotheses, theorieën en geschriften met argusogen beziet en naar de duistere hoeken van het rijk der UFO verschijnselen verbant.
![]() Illustratie van Dold voor E.E. Smith's roman Skylark of Valeron uit Astounding, okt. 1934. De gelijkenis met een 'moederschip' van Adamski is opmerkelijk. |
![]() Zogenaamd 'moederschip' van Adamski. |