"In dat lichaam zal hij omhoog razen en, zich ontdoend van dat lichaam, een wervelwind
binnengaan, waar een ander en lichtend lichaam voor hem bereid is, zodat hij als een
engel onder engelen zal zijn."
-De Zohar, vertaald door Maurice Simon en Dr. Paul Levertoff, 1933.
"Dit waren de woorden van Menastor: Er zijn zeven planeten, waar zeven engelen de
leiding over hebben, en ondergeschikt aan deze zeven engelen zijn 21 geesten, door wie de
geheimen worden onthuld."
-Johannus Trithemius, The Steganographia, vertaald door Dr. J.W.H. Walden, 1982.
De contactees zijn een controversieel onderwerp in de ufologie. De term contactee heeft
betrekking op mensen die beweren fysiek contact te hebben met ruimtewezens aan boord van
ufo's. Hun wereld is de wereld waarin het bovenzinnelijke en het buitenaardse met elkaar
verknoopt zijn; de contacten gaan vergezeld van paranormale elementen zoals telepathie,
telekinese, psychokinese en dematerialisatie. De boodschappen die de contactees ontvangen, zijn meestal religieus of van aard of hebben een ethische/mystieke lading.
William Hamilton III, een man die bijna alle contactees uit de vijftiger jaren persoonlijk heeft ontmoet en die gelooft in de oprechtheid van hun beweringen, onderscheidt vijf fasen of stappen in het contactee-scenario:
1) De contactee heeft gewoonlijk een aandrang of een ingeving om naar een afgelegen lokatie te gaan. Hij of zij heeft een gevoel van verwachting.
2) De contactee wordt begroet door een menselijk uitziend buitenaards wezen van een machine-achtig toestel, overdag of 's nachts. De contactee is gewoonlijk als gehypnotiseerd door de gebeurtenis.
3) De menselijke buitenaardse communiceert met de contactee op een telepatisch en verbaal niveau. Het wezen heeft zelden moeite met onze taal en laat merken dat het een grondige kennis heeft van het persoonlijke verleden van de contactee.
De contactee wordt meegenomen op een rondreis maar wordt nooit aan een onderzoek
onderworpen zoals met abductees, de zgn. ufo-ontvoerden, het geval is.
4) De contactee is zich ten volle bewust van zijn ervaring van het begin tot aan het einde.
Er is geen sprake van missing time, de tijd die verstreken is tijdens een abduction, en die
een ufo-ontvoerde zich niet, of slechts schijnbaar onder hypnose, kan herinneren.
5) De contactee krijgt meestal een boodschap mee of een project dat hij moet volbrengen.
Een gewone boodschap in de vijftiger jaren was bijvoorbeeld "jullie verstoren het evenwicht in de natuur." Contactees verklaren vriendelijk te worden uitgenodigd, niet
ontvoerd, aan boord van het ruimteschip.
Als aanvulling op dit scenario geldt dat niet altijd sprake is van machine-achtige objecten. J. Gordon Melton merkt in Eberhart's uitstekende bibliografie op: "Terwijl ruimtevaartuigen aanwezig zijn, of op zijn minst hun aanwezigheid gesuggereerd wordt in de meeste
berichten na 1952, zijn ze geen integraal onderdeel van het contact omdat communicatie met de buitenaardsen meestal telepatisch gebeurt."
De opvatting dat mensen met andere levensvormen kunnen communiceren, gaat echter terug tot in het verre verleden. Al in de mist van de tijd waren sommige mensen -onder de generische naam sjamanen bekend- in staat de grenzen met andere werelden en bestaansniveaus te overschrijden.
Sjamanen ontmoeten op hun bovennatuurlijke reizen de zielen van gestorvenen, de geesten van
de elementen en de natuurkrachten en spirituele entiteiten. Zij weten hoe de wegen
van de andere realiteit bewandeld moeten worden en welke houding aangenomen moet
worden als men op deze entiteiten in de andere realiteitssferen stuit.
De sjamaan kent luchtreizen, lichtverschijningen en vuurballen. Holger Kalweit schrijft
hierover: "Een tweede vorm van lichtervaring is de ontmoeting met lichtdragers, lichtgevende gestalten, stralende goden en geesten. Zo komt Baiami, de schepper van de
Wuradjeri in Australië, als mens bij de sjamanen in opleiding en laat lichtstralen van zijn
ogen uitgaan. De sjamaan Only-One kwam de gever van het leven in een spelonk tegen
als een stralende mens die hem zijn genezende kracht overdroeg. De Mexicaan Gabriel
Mir werd door een stralende dwerggestalte ingewijd... Toen de vrouwelijke sjamaan
Uvavnuk in een donkere winternacht haar iglo had verlaten om een plas te doen, verscheen haar aan de hemel een razende vuurbol. Die raasde op haar af en drong haar
lichaam binnen... Kort voordat ze flauwviel, nam ze nog net de gestalte van de geest waar.
Hij had een dubbel lichaam, dat in een vuurgloed door de lucht joeg. Eén kant leek op een
beer, de andere op een mens... Alleen als het licht van de meteoorgeest in haar voer, scheen ze alwetend."
Het sjamanisme vanuit een ufologische standpunt kan gezien worden als een occulte discipline die in veel opzichten dicht gerelateerd is aan het ufo-fenomeen en als een verzameling van praktijken waardoor een persoon een veranderde staat van bewustzijn ondergaat en reist naar anderwereldlijke gebieden waar hij superieure wezens ontmoet en communicert met geesten. Er bestaan ook een aantal directe overeenkomsten tussen het sjamanisme en het ufo-fenomeen. De contactee bericht over een andere staat van bewustzijn waarin de waarneming is veranderd en de intellectuele functies op de één of andere manier versterkt worden. De 'schepen' van het sjamanisme hebben een hun evenknie in de 'ruimteschepen' die de contactees beschrijven. Zoals een sjamaan dat doet, kan een contactee naar eigen wil in contact treden met een buitenaards wezen.
De kabbalah, de mystieke Joodse traditie waarvan de oorsprong zo'n 1000 jaar in het verleden teruggaat, spreekt van ontelbare engelen en demonen die de dimensies en de invloedssferen van de schepping bewonen. De Hebreeuwse overlevering spreekt ook van wezens die Saidam genoemd worden. Deze wezens intermediëren tussen engelen en mensen. De oude Grieken kenden de Saidam als daimonas, of demonen. De Saidam zouden buitengewone krachten bezitten, waaronder de gave om te communiceren met wezens in andere sferen.
Het visoen van Ezechiël, dat door sommige ufo-onderzoekers uitgelegd wordt als een
vroeg contact met een buitenaards ruimteschip, is de centrale mythe van de Merkavah-mystiek is, waarin de vroegste, als zodanig erkende kabbalistische literatuur wordt
aangetroffen. De Merkavah-mystici trachten de Merkavah, de Zegewagen van God, te
bereiken, door sjamanistische technieken en het ervaren van neerdalende hemelse sferen of ruimten.
Een blauwdruk van die andere dimensies is vastgelegd in de Hecahlot-boeken uit de
vijfde en zesde eeuw. Erin worden talloze beschrijvingen van dergelijke mystieke
ervaringen gegeven. Zodoende krijgen we een blik op kabbalist wiens geest de aardse beperkingen overstijgt en afreist naar regionen waar hij stuit op andere levensvormen.
Zoals de ufo-contactee vanuit een veranderd bewustzijn converseert met de mysterieuze
ufonauten die vaak een hoog kosmisch instituut vertegenwoordigen, ontmoet de Merkavah-mysticus op zijn reis naar het hoogst goddelijke, demonen die hij bezweert met zegels en
geheime namen "die in zijn geest zijn uitgelegd". Talloze conversaties met dergelijke
andere entiteiten en bespiegelingen hierover zijn opgetekend in boeken zoals de Sefer Jetsirah en de Sefer-Ha-Zohar.
De Sefer Jetsirah, dat dateert van de derde tot de zesde
eeuw na Christus, is gebaseerd op de Maseh Beresjieth, de geheime esoterische leer van kosmogonie en kosmologie.
De Sefer-Ha-Zohar werd geschreven door Mozes de Leon en circuleerde voor het eerst
in 1280. De Leon stelde dat het boek bestond uit nog oudere geschriften van omstreeks
200 na christus. Deze verslagen die een eigenaardige pracht bevatten, zouden opgenomen
worden in de Westerse occulte leerstellingen; een niet onaanzienlijk deel van deze esoterische ondergrond bestaat uit een zeer oude traditie van verkeer met andere entiteiten en dat
ook de ufo-contactees deze traditie vertegenwoordigen. Bovendien kunnen we het spoor
met enig gemak volgen in de 19e eeuwse inwijdingsgenootschappen zoals de Golden
Dawn. Van het 19delige Sefer-Ha-Zohar werd immers een deel in 1677 vertaald uitgegeven door de Kabbalist Christian Knorr von Rosenroth (1636 - 1689) als Kabbala
Denudata en vervolgens vertaald in het Engels in 1887 als The Kabbalah Unveiled. De
vertaler was Samuel Mac Gregor Mathers, één van de drie oprichters van de Golden
Dawn.
In The Kabbalah Unveiled vinden we een interessant detail waarin we een duidelijke
analogie met het taalgebruik van een latere contactee kunnen ontwaren: in het boek is een
schematische voorstelling afgebeeld die de relatie van de Sephiroth met de vier werelden
voorstelt. In het schema lokaliseren we in de vierde wereld (Asiah), de naam
Ashtaroth in de lijst der aartsduivels.
Ashtar, het buitenaardse wezen dat in 1952 met
contactee George van Tassel zou hebben gecommuniceerd identificeerde zichzelf als
commandant van een gebied dat hij de quadra-sector noemde. Het is niet moeilijk om
overeenkomsten te zien tussen de quadra-sector en de vierde wereld, tussen Ashtar en
Ashtaroth.
Bovendien verwijst de naam Ashtar naar de Syrisch/Phoenicische vruchtbaarheidsgodin
Astarte, ook wel bekend als Ishtar, Ashteroth of Ashtoreth. Onder de naam Ashteroth werd
ze door de Phoeniciërs in Bijbels tijden aanbeden. Ze stond bekend als de koningin
van de hemel en wordt een gruwel genoemd in II Koningen 23:13. Eén mening in
ufologische kringen is dat Van Tassel, als hij het verhaal niet gewoon verzonnen heeft, in
contact kan hebben gestaan met een spiritueel wezen van die naam.
Een andere mogelijkheid is dat Van Tassel het oeuvre van Mathers of andere kabbalistische geschriften bestudeerd had, dat immers in die tijd via uitgevers die gespecialiseerd
waren in occulte literatuur, zoals de Laurence in Chicago, gemakkelijk te verkrijgen was.
In de antieke geschiedenis deden zich regelmatig curieuze ontmoetingen voor tussen
mensen en niet-mensen. De Romeinse schrijver Livius vertelt: "Daar in de stilte van de
nacht wordt er gezegd dat beide consuls bezocht werden door dezelfde verschijning, een
man die groter was dan een mens en meer majesteitelijk..."
Volgens Suetonius zou Julius
Caesar een verschijning van "bovenmenselijke grootte" hebben gezien, en van Dion
Cassius komt het verhaal van een man die in 217 na Christus verscheen, een profetische
boodschap afleverde en vervolgens verdween met de woorden "Ik ga zoals je wilt maar ik
zal niet deze keizer maar een ander zien". Sommige ufo-onderzoekers zien in deze en
andere voorvallen bewijzen voor buitenaardse interventie.
Ook de rijke vroeg-Christelijke mystieke literatuur wemelt van verslagen van conversaties met andere entiteiten, de engelen en duivelen van de Christelijke kosmoconceptie. Een voorbeeld is de overeenkomst tussen de visoenen van de Engelse mystica Juliana van Norwich en de moderne ufo-contactees. Er is weinig bekend van het leven van Juliana van Norwich (1342? - 1416). Ze liet echter een gedetailleerd verlag na van visioenen die zij kreeg op 8 en 9 mei 1373, tijdens een ernstige ziekte. Het verslag publiceerde ze in het boek Showings or Revelations of Divine Love. Dit boek maakt ook melding van haar ontmoeting met een entiteit die zij de duivel noemde. In haar verslag zijn curieuze parallellen te vinden met de contactee-geschiedenissen uit de 20e eeuw. Haar visioenen vonden 's nachts plaats, er was sprake van extreme temperatuurschommelingen en vreemde geuren werden gerapporteerd. De 'stemmen' die ze beschreef zijn analoog aan de telepatische boodschappen die de zogenoemde buitenaardse wezens in onze tijd aan de contactees toevertrouwen.
We hebben al een klein deel gezien van de wonderlijke pracht en rijkdom van de Joodse Kabbalah, en hoe dat in het licht van het ufo-fenomeen voorzien wordt van een heel andere uitleg. Het accent verschuift niet eens zozeer van een innerlijk beleven naar een reeële gebeurtenis, maar de beleving wordt voorzien van een totaal nieuw perspectief. De ervaringen van de oude mystici krijgen, juist in samenhang met het ufo-fenomeen, de waarde toebedeeld van contactee-ervaringen, de kabbalistische literatuur krijgt de waarde van een blauwdruk, een landkaart van het onmogelijke, van andere dimensies wellicht.
In de late middeleeuwen en de met name in de renaissance herontdekte men de geschriften
van de oude kabbalisten opnieuw. Eén gevolg was het ontstaan van de kabbalistische
engelenmagie waarbij planeten en invloedssferen geregeerd werden door aartsengelen,
engelen en hierarchiën van geesten.
In de Kabbalistische engelenmagie onderscheiden we
twee systemen, de Goetia en de Theurgia. De Goetia, ook wel Magia Innaturalis of Magia
Illicita genoemd, vertegenwoordigde het systeem van rituelen om contact te verkrijgen met
negatieve entiteiten die men demonen of duivels noemde. De Theurgie, ook wel Magia
Naturalis genoemd, was het systeem van rituelen om te communiceren met wezens die men engelen noemde.
Behalve de donkere weg van de Goetia, de Magia Illicita of Magia Innaturalis, zou de Theurgie zich opsplitsen in twee stromingen. De weg van het Lumen Naturale, die via Ficino en Paracelsus naar Jakob Boehme voert en vandaar naar de Theo- en Pansofen, en de weg van de Magia Naturalis. Deze voert uit dezelfde bronnen via Agrippa van Nettesheim en Giambattista della Porta (1534 - 1615), via de Paracelsiaanse en pseudo-Paracelsiaanse geschriften.
Deze geschriften zouden door de eeuwen heen niet alleen de
alchemisten, maar ook de medicijnen na Paracelsus met haar leer der sympathie, het
magnetisme, de spagyrische - een andere benaming voor de alchemie - en tenslotte de
homeopatische leerstellingen beïnvloeden.
Abbé Nicolas Pierre Henri de Montfaucon de
Villars (1635 - 1675) was een volgeling van deze stroming. In zijn Comte de Cabalis ou
Entretiens sur les Sciences Secretes, dat anoniem in 1670 in Parijs verscheen, wemelt het
dan ook van vreemde levensvormen zoals sylphen, salamandres en gnomes.
Een andere belangrijke volgeling was George van Welling (1652 - 1727) wiens in 1719 in Frankfurt gedrukte Opus Magico-Cabbalisticum et Theologicum een van de belangrijkste leerboeken van de Goud- en Rozenkruisers werd. Nog onlangs zou dit boek opduiken in een artikel over de symboliek die ufo-ontvoerden waarnamen. Een ander saillant detail is, dat veel van de symbolen van de graancirkels ontleend lijken te zijn aan dergelijke boeken.
We kunnen deze invloeden verder volgen via de leerstellingen van andere maconieke randgroepen en esoterische genootschappen van de 18e eeuw, zoals het systeem van de strikte
observantie van baron Von Hund (1722 - 1776), naar de 19e eeuwse Golden Dawn en
haar splintergroepen de Argenteum Astra, Stella Matutina, Cromlech Temple en de Society
of the Inner Light, de Hermetic Brotherhood of Luxor, de Theosofen en de Duitse Ordo Templi Orientis.
Van daar volgen we het spoor via de talloze vroeg twintigste eeuwse genootschappen zoals de Duitse Fraters Saturni, de Franse Polaires of de Antroposofen.
Inmiddels zijn de leerstellingen duidelijker van toon geworden; niet langer hoeven we ons te verdiepen in ingewikkeld en ondoorgrondelijk jargon, wordt er gesproken over "hemelse spheren", of "engelachtige wezens". Deze 19e eeuwse genootschappen gebruiken termen als "hogere onbekenden", of "geheime meesters", soms worden ze "superieure wijzen" genoemd, dan weer "mahatma's". Nu eens wordt met de vinger naar het oorspronkelijke, mythische Rozenkruisersgenootschap gewezen, dat zou beschikken over een wonderbaarlijke technologie. Dan weer, zoals in het geval van de Fraters Saturni, meent men contacten te onderhouden met een transcendent sterrewezen, GOTHOS genaamd, waarvan ieder lid een buste bezat. De buste vertoont verbazingwekkende overeenkomsten met de huidige greys, de kleine grijze ufonauten die de ufo-ontvoerden zo het leven zuur maken.
Deze occulte doctrine is tegenwoordig geenszins voorbij; juist het ufo-fenomeen heeft
ervoor gezorgd dat in occulte kringen nu ook openlijk en veelvuldig over buitenaardse
entiteiten, ufo's en de magische ritualistiek, wordt geschreven. Daarmee is aangetoond dat
deze tradities tot op heden voortduren. Een studie van sommige hedendaagse occulte
groeperingen laat bovendien een interessante synthese zien van elementen uit de ufo-contactee subcultuur en elementen uit de magische tradities zoals het systeem van Enochiaanse invocaties die door John Dee en later Aleister Crowley zijn ontwikkeld.
Nog onlangs verscheen een goed voorbeeld van een dergelijke, openlijke synthese.
Openlijk, omdat we niet meer hoeven te zoeken naar analogieën, uiterlijke overeenkomsten
of toevalligheden. De vraag of er sprake is van invloed of overeenkomst, lijkt ufo-onderzoeker Allen Greenfield hiermee te willen beantwoorden. Hij stelt dat de occulte
traditie, de wereld van de mediums en de contactees elkaar overlappen. Hij meent dat
sommigen onder ons heel goed weten wat de aard van het ufo-fenomeen is en dat zij deze
aard door de loop van de geschiedenis ook gebruikt hebben. Hij noemt deze mensen de
"Illuminati van de ufonauten" of de "geinitiëerden van de werkelijke natuur van het
fenomeen".
Deze geheel verlichten, de Illuminati van de Ufonauten, communiceerden met elkaar door
middel van geheime genootschappen, alegorische drama- en mysteriespelen, en codes, tot
de informatierevolutie losbarstte. "Een in onbruik geraakt voorbeeld is de mythos van de
alchemie, haar gecodeerde taalgebruik etc." Greenfield ontdekte dat de meeste codes
gebruik maken van de technieken van de kabbalistische cijfer-analyse, zoals Gematria,
Theosophische aanvullingen, Notariqon, Temura, etc. "De meest recent bekende code",
schrijft hij, "was die van de Aiq Baikur, of 'De kabbalah van de negen kamers'... en
aangenomen door de Engelse Royal Arch vrijmetselarij. Tot op zekere hoogte wordt deze
code nog steeds benut, maar het is lang geleden ontcijferd en wordt niet meer gebruikt door de Illuminati van de Ufonauten." We kunnen er trouwens bij aantekenen dat deze
kabbalah van de negen kamers coincidenteel wordt uitgelegd in Mathers The Cabbalah
Unveiled.
Een allesomvattende en aan de bovengrond optredende contactee-subcultuur begint in 1848, met de komst van het spiritisme. Amerika en Europa werden toen immers overweldigd door golven van een geloof dat contact met andere levensvormen, in dit geval geïnterpreteerd als engelen of de zielen van overledenen, mogelijk was. Op grote schaal werd een poort naar de andere realiteit opengezet. Want waar dit eerst voorbehouden was aan de ingewijden van de occulte genootschappen, zou nu ook de gegoede burgerij, ja zelfs de wetenschap, gegrepen door een brandende koorts, de voelhoerens uitstrekken naar de ons omringende dimensies.
Opmerkelijke en goed gedocumenteerde geschiedenissen van contacten met andere entiteiten zijn die van twee hermetisten uit de 15e en 16e eeuw; Johannes Trithemius en John Dee. Johannes Trithemius (1462 - 1516) is misschien wel de meest belangrijke persoon geweest in de evolutie van de westerse esoterische traditie.
Trithemius werd in zijn jeugd bezocht door een stralend wit wezen in een droomvisioen, dat Heidel in zijn Johannis Trithemii Steganographia Vindicata reservata et Illustrata uit 1671 optekende: "Toen hij sliep verscheen een jongen gekleed in het wit die twee schrijftabletten in zijn handen had, waarop geschreven was. De jongen zei tot hem dat hij één van de tabletten mocht kiezen. Hij koos er één waar wat op geschreven stond. De jongen zei toen: Voorwaar, God heeft je gebeden gehoord en zal aan je geven wat je gevraagd hebt, en zelfs meer dan je nodig hebt. Hij was toen slechts een jongen. De volgende dag, terwijl hij niet meer aan zijn visioen dacht, was hij vanaf dat moment zeer leergierig. Zijn ouders hoorden hem de volgende dag het alfabet herhalen, het gebed tot god met de engelengroet... en in een maand tijd was hij in staat om boeken in de Duitse taal te lezen."
Het is niet moeilijk om een overeenkomst te bespeuren met de ervaringswereld van de
ufo-ontvoerde; in de ervaringswereld van de ufo-ontvoerde nemen lichtverschijnselen de
gestalte van wezens aannemen. Ook kan er sprake zijn, na interactie met een ufo-gerelateerde entiteit, van een stimulans van het brein zodat latente psychische mogelijkheden
gewekt worden. Er is dan sprake van verhoogde spirituele oriëntatie en een meetbare
toename van psychische en ESP eigenschappen. Bovendien kan de een aandacht voor
spiritualiteit of religie toenemen en een vergroting van de mogelijkheden van de geest ervaren worden.
Trithemius geeft toe een bevlogen student te zijn; in 'Nepiachus', dat een onderdeel is van
het Corpus Historicam uit 1723, schrijft hij dat "Niets me zoeter was dan de
studie van de schrift... een dag was ongelukkig als ik niet de schrift had bestudeerd..."
Hij zou bovendien een mysterieuze vreemdeling ontmoet hebben, die hem onderwees in de geheime wetenschappen.
In 1518 werd Trithemius' Polygraphia uitgegeven waarin ongetwijfeld de weerslag te
vinden is van zijn onderricht in die geheime wetenschappen. Het boek bestaat uit codes en
magische alfabetten en in zowel in de Franstalige als in de Latijnse edities zijn wielen
opgenomen met bewegende pijlen. Langs de spaken van de wielen zijn magische alfabetten gerangschikt en de bewegende pijlen dragen de letters van het Romeinse alfabet.
Weer
voert een spoor naar de Golden Dawn; het was immers de Polygraphia waar de onbekende schrijver van het Golden Dawn Cypher Manuscript uit putte, het omstreden document
dat zou hebben geleid tot de oprichting van dit meest beroemde esoterische genootschap
uit de 19e eeuw.
In zijn De septem secundeis, id est, intelligentiis, sive spiritibus Orbes post Deum
moventibus waarvan de vertaling luidt: "Over de zeven secundaire oorzaken, dat wil
zeggen, de intelligenties of wereldgeesten na God" en dat in 1545 in Frankfurt gedrukt
werd, schrijft Trithemius over buitenaardse entiteiten, de planetaire intelligenties die hij de
"zeven tweede oorzaken" noemt. Deze intelligenties of engelen hebben de namen Orifiel,
Anael, Zachariel, Raphael, Samael, Gabriel en Michael, die ieder aan een planeet worden verbonden, van Saturnus tot de maan.
Een interessante parrallel is dat de menselijk uitziende buitenaardse wezens aan de contactees in de vijftiger jaren bezwoeren van planeten binnen ons zonnestelsel te komen, zoals Venus, Mars, Neptunus en Saturnus.
Deze zeven secundaire wezens zouden "een belangrijke groep spirituele wezens" zijn, die
aangesteld zijn te heersen over opeenvolgende periodes van 354 jaar, ook wel de Tritheemse periodes genoemd. De namen, met de verbintenissen zijn afgeleid van de Gnosisch-Hebreeuwse traditie en worden gekoppeld aan de planetaire sferen..." Contactee
Van Tassel beweerde dat de boodschap die Asthar overbracht, zou komen van een
Council of the seven Lights en hier is een duidelijke analogie bespeurbaar met de
zeven engelen van Trithemius.
Deze ondergrondse invloed strekte zich mettertijd ook uit
tot de randgebeiden van de literatuur: de schrijver C.S. Lewis (1898 - 1963), die lid was van
de groep The Inklings, waarin we ook de schrijvers J.R.R. Tolkien en Charles williams
vinden, ontleende aan dit boek van Trithemius zijn idee van de Eldila, de engelen die het
zonnestelsel doen functioneren en die hij beschreef in zijn boeken Out of the silent
Planet uit 1938 en Perelandra uit 1943, ook Voyage to Venus getiteld. In deze boeken
neemt het visionaire voorstellingsvermogen van Lewis ons mee op interplanetaire reizen en krijgen we een blik op het leven op de planeet Mars.
Charles Williams (1886 - 1945) schreef wonderlijke verhalen, zoals over het reizen door
talloze dimensies in zijn boek Many Dimenions uit 1931. In dit boek is sprake is van de
magische steen 'Lapis' waar de Tetragrammaton is ingekerfd, de heilige vier letters waar
de naam van God volgens de kabbalistische leer uit is opgebouwd. Met deze steen die uit
de kroon van Salomo komt, kan de bezitter door de ruimte en tijd reizen, een idee dat de
vroege contactee Vera Stanley Alder in haar in 1940 verschenen The fifth Dimension and the Future of Mankind als een door haar beleefde realiteit beschreef.
In zijn The place of the Lion ook in 1931 gepubliceerd, waar ufo-contactee George Hunt
williamson de titel van zijn boek Secret Places of the Lion uit 1958 aan ontleende,
ontwaren we de invloed van Trithemius; een lid van een genootschap dat zich bezighoudt
met de intellectuele magie van de Neoplatonisten, roept in trance de energieën van de
sferen op. Deze energieën worden engelen of in Neoplatonistische terminologie Eidola
genoemd.
Williams' The Greater Trumps uit 1932 is doordrenkt van de kabbalistische
doctrines en laat een verband zien met de Golden Dawn. Williams beschrijft een spel
bestaande uit een bord met gouden stukken die vanzelf bewegen, en dit is natuurlijk
ontleend aan het befaamde Enochiaanse schaakspel dat de leden van de Golden Dawn
beoefenden. Dit vreemde spel uit The Greater Trumps symboliseert en vertegenwoordigt
de schepping. Bij dit spel hoort een pak Tarot kaarten, die de gouden stukken vertegenwoordigen. Het bord en het Tarot-pak zijn al eeuwen van elkaar gescheiden. Uit "de
gouden mist van de schepping" werd dit spel gecreerd en het verleent de bezitter, die de
twee weer samen weet te brengen, oneindige magische macht.
De Steganographia, waarvan de eerste druk in 1610 verscheen, is echter Trithemius' meest beroemde en beruchte boek. Zo schrijft Jacques Bergier over Trithemius en de Steganographia: "het voornaamste onderwerp van zijn onderzoekingen betrof een methode om mensen op afstand te hypnotiseren door telepathie met behulp van een zeer bepaald gebruik van de taal. Bij dit onderzoek werden de taalkunde, de mathematica, de kabbalah en de parapsychologie nogal vreemd dooreengemengd. Het boek dat tenslotte het resultaat vormde van al zijn onderzoekingen bestond uit acht delen. Het bevatte de geheimen van een ongelofelijke macht..."
Minder romantisch maar meer objectief meent men elders dat de Steganographia een boek is dat "op twee niveaus werkt. Als een grimoire van Kabbalistische
Engelenmagie bevat het lange lijsten met spirituele wezens geassocieerd met de richtingen
van de ruimte en de divisies van de tijd, en hun daaruit voortvloeiende hierarchieën van
wezens. Deze wezens kunnen opgeroepen worden door bezweringen in een vreemde, maar ogenschijnlijk zeer consistente taal, die gemakkelijk vloeit en die een melodieuze kwaliteit
heeft, wanneer men het luid voordraagt... De geesten dienen te worden gebruikt voor het
doel om boodschappen te vervoeren en hier is een uitgebreid cryptografisch systeem
verborgen in een diepere laag van de tekst... De kabbalistische engelenmagie zoals
Trithemius die in zijn Steganographia uiteenzette, had een grote invloed op de magische traditie in de 16e en 17e eeuw en met name op John Dee."
Beide auteurs zijn het er wel over eens dat het boek een soort handleiding is om met andere
entiteiten in contact te treden.
De levensloop van Trithemius schijnt doorstoken van vreemde ontmoetingen met dergelijk andere entiteiten. Zo kwam hij tot het schrijven van dit boek door een droomvisioen, waarin een wezen verscheen en hem bepaalde geheimen onthulde: "Op een dag in het jaar 1499, na lange tijd gedroomd te hebben over een ontdekking van geheimen en tenslotte ervan overtuigd zijnd dat wat ik zocht niet mogelijk was, ging ik slapen... 's nachts droomde ik dat iemand zich aan mij voorstelde en mij bij mijn naam noemde. Trithemius zei hij, geloof niet deze gedachten tevergeefs gekoesterd te hebben. Hoewel de dingen die gij zoekt niet mogelijk zijn, noch aan u noch aan enig ander mens, zullen zij dat worden. Leer mij dan, vroeg ik, wat ik moet doen om te slagen? Daarop onthulde hij mij het hele geheim en toonde mij aan dat niets gemakkelijker was."
Heinricus Cornelius Agrippa was, net als Paracelcus, een leerling van Trithemius en beiden droegen zijn leerstellingen uit tot een groter publiek. Agrippa onthulde de spirituele dimensies van de kabbalistische engelenmagie en Paracelsus voorzag de alchemie opnieuw van een spirituele diepgang.
Agrippa von nettesheim (1487 - 1533) bezocht Trithemius tussen 1509 en 1510 en hij droeg het manuscript van De Occulta Philosophia op aan Trithemius. Het werk werd gepubliceerd in 1533. Agrippa vermengde in het boek elementen uit de Neo-Platonische filosofie met alchemie, magie, astrologie en de kabbalistische wetenschappen.
Theophrastus Paracelcus (1493 - 1541) droeg veel bij aan de ontwikkeling van de vroege medische wetenschappen. Hij leerde aan zijn leerlingen om alchemie en experimenten te gebruiken in hun speurtocht naar de mysteriën van het leven. In 1954 maakte professor Rainer van de Diaconessenbibliotheek te Klagenfurth bekend dat in een onlangs gevonden boek van Paracelsus melding gemaakt werd van vliegende schotels. Paracelsus noemde ze vliegende borden, vliegende draken en lichtgevende wormen. Volgens de hoogleraar was het in 1563 in Straatsburg gedrukte boek één van de oudste verzamelingen van de werken van Paracelsus.
In het oeuvre van Paracelsus vangen we weer een glimp op van de wezens die de andere realiteit in overvloed bevolken; hij tilt de sluier op die als een grijze mist over onze waarneming hangt, en erachter blijkt onze wereld te krioelen van een vreemdsoortig, ander leven. Zulke wezens zijn de elementalen, de aardgeesten, de undinen, de watergeesten en de salamanders, de vuurgeesten en de windgeesten, de nymphen en de silenen. Bovendien onderscheidt Paracelsus in deze wonderlijke creaturen twee vormen: de etherische en de astrale natuurgeesten. In de hierarchie van het leven nemen ze een plaats in achter het minerale en het plantenbewustzijn. Na de natuurgeesten zag Paracelsus de engelen, de Devas, met fijnstoffelijke vleugels statig door de kosmische sferen dwalen.
Meer dan vier eeuwen later werden de grilligheid en vormverscheidenheid van zijn
sprookjesachtige elementalen opgemerkt door de ufologie, die zich vooral op de uiterlijke
kenmerken concentreerde. Paracelsus geloofde dat deze wezens zich konden manifesteren
in verschillende gedaantes, lang of kort, mooi of lelijk, en dat het riskant was om met hen
om te gaan, omdat ze gevaarlijk waren als ze ontstemd raakten en konden doden.
Paracelsus' beschrijvingen van de elementalen lijken sterk op beschrijvingen van ufo-bemanningen in moderne verslagen.
Eén van Paracelsus' stellingen was dat leven uit organisch vloeistoffen zoals eiwit en bloed kon worden gecreeërd. Hij benadrukte wel dat het praktisch onmogelijk was om essentiële element, het "Arcanum van het Menselijk Bloed", samen te stellen. Paracelsus beschrijft het maken van een kunstmatig mens een Homunculus in zijn boek De Natura Rerum. De alchemie hield zich vanaf de dertiende eeuw reeds bezig met het vervaardigen van homunculi, en ook latere renaissance hermetisten zoals Arnold de Villanova en Leonhard Thurneyser. Franz Anton Mesmer (c.1734 - 1815) die de begrippen trance en animaal magnetisme introduceerde, schreef zijn proefschrift over en was beïnvloed door Paracelsus.
Ook John Dee (1527 - 1608) raakte geïnteresseerd in de kunst van de witte magie, de
Magia Naturalis. Hij geloofde ook dat de geheimen van deze witte magie doorgaans niet
aan gewone stervelingen werden meegedeeld. In 1581 deed hij aan kristal schouwen. Hij schreef op 25 mei 1581: "Ik kreeg een visioen aangeboden in het
kristal en ik zag." Voor deze tijd was hij veel bezig met zijn dromen en ook in zijn dagboeken schreef hij over "vreemde dromen".
Dee raakte vastbesloten om contact met
de engelen te krijgen en kennis te ontdekken die niet via boeken of experimenten te
verkrijgen was. Hij dacht dat omgang met deze spirituele creaturen, op voorwaarde dat
slechtwillende, misleidende en demonische geesten uitgebannen zouden worden, het
hoogste was dat de mens kon bereiken. Op dit punt begon hij gebruik te maken van
magie, gecombineerd met de mathematica en de filosofie van de Hebreeuwse Kabbalah en de Arabische magico-alchemistische werken.
Tijdens deze periode stelde Dee Edward Kelley en verscheidene andere zieners te werk om een serie boodschappen te verkrijgen die hij toeschreef aan engelen en geesten. Hoewel het eerste verslag van het kristalschouwen gedateerd is op 22 december 1581, zijn er aanwijzingen in zijn dagboeken die suggereren dat het schouwen al op 8 maart van dat jaar begon.
Dee zou een wonderlijke en ingewikkelde methode hanteren: de eerste werkzaamheden
waren gebaseerd op een grimoire-achtige benadering, tot op zekere hoogte vertrouwend op
complexe apparatuur. Deze apparatuur bestond uit wassen tabletten, een zienerstafel, een
gouden lamen of zwaard en verschillende bollen van obsidiaan en rotskristal. Dit evolueerde tot een verfijnd systeem. Verscheidene kristallen bollen en een spiegel van obsidiaan
werden gebruikt. Deze werden geplaats op een gedetailleerd gegraveerd zegel, het Sigillu
Aemeth oftwel het zegel Gods, dat op haar beurt weer werd geplaatst op een speciale
tafel. Op de tafel was een hexagram aangebracht in een raamwerk van Enochiaanse letters
dat zeven speciaal ontworpen talismans droeg. Het geheel was van de vloer geïsoleerd
door vier wassen tabletten, miniatuurversies van de Sigillum Aemeth.
Belangrijk is dat Dee precieze instructies over de afbeelding op de tafel, het zwaard, de
ring en de zegels had ontvangen van entiteiten die zich identificeerden als Annael en
Uriel.
Dee tekende de berichten van de engelen gedetailleerd op in zijn Libri Mysteriorum.
Het derde boek opent met ontwerpen voor de zeven talismans die op de tafel gebruikt
moesten worden en besluit met de Tabula Collecta, een lijst van 49 engelen, waarvan de
aanroepingsmethode uitgelegd wordt in het vierde boek. Dee en Kelley voltrokken de
rituelen zelfs verschillende keren op één dag tot de complete omtrek van een nieuw
magisch systeem zichtbaar was. Dit schreef Dee op in zijn De Heptarchia Mystica, dat
hij zo noemde omdat de uren, aanroepingen, zegels en tekens en de beschrijvingen van de
zeven maal zeven engelen erin opgetekend waren. We weten zelfs hoe dergelijke entiteiten zich aan Dee en Kelly manifesteerden, daar hij ook dat precies optekende.
Bij wijze van voorbeeld geven we er hier één:
Lang na Dee's dood werd het boek A True and Faithfull relation of what passed for many
years between Dr. John Dee and some Spirits in 1659 uitgegeven. Het is een wonderlijk
en zeer bijzonder boek. Op de bladzijden wordt keer op keer melding gemaakt van "verschijningen in de lucht", "verschillende verschijningen die Trithemius' stelling bewezen",
"profetieën en plotselinge lichten" waarin boodschappen, symbolen en wezens verschijnen,
er is sprake van de Tafelen van Trithemius, van "mystieke verschijningen", pilaren van
vuur en kleine wezens verschijnen en verdwijnen, engelen -waaronder Uriel- houden cryptische conversaties.
Het boek is een compleet panopticum van bizarre voorvallen die in hun raadselachtigheid
talloze overeenkomsten met het ufofenomeen vertonen.
Bovendien zouden deze conversaties met andere wezens een bijzondere en blijvende erfenis opleveren: de Enochiaanse taal,
die later gehanteerd zou worden door de ingewijden van de Golden Dawn, Aleister
Crowley en tegenwoordig bijna elk zichzelf respecterend occult genootschap.
Van Immanuel Swedenborg (1688 - 1772) kan gezegd worden dat hij geldt als één van de
vroege 18e eeuwse contactees. In het jaar 1744 had hij visioenen en dromen die hem in
contact met de andere realiteit brachten. Op 7 april van dat jaar kreeg hij van zijn eigen
geest het bevel, zich geheel aan deze opgave te weiden. Hij verzaakte zijn werkzaamheden
en verkeerde vanaf dat moment in het gezelschap van entiteiten die hij "geesten" noemde.
Tussen 1749 en 1756 verscheen zijn Arcana Coelestia in acht delen, gevolgd in 1758
door De Coelo et eius mirabilibus et de inferno, waarin hij stelt dat de ons omringende
werelden bewoont wordt door geesten, entiteiten en spirituele wezens van velerlij signatuur.
Meer geesten vinden we bij de spiritisten, die als een stortvloed op de westerse beschaving zouden neerdalen, compleet met alle aspecten die het ufo-fenomeen kenmerkt; talloze contacten, foto's en curieuze boodschappen zouden het gevolg zijn. De mening van John Keel, die zegt dat de oprichting van de spiritistische beweging in 1848 voor een ruimer begrip van het ufo-fenomeen van het grootste belang is, valt derhalve dan ook te beamen.
De spiritisten traceren het begin van hun beweging naar de zusters Fox, die leefden in
Hydesville, New York. In 1848 hoorde de familie Fox vreemde tikkende geluiden in hun
huis, en spoedig begon de 12 jarige Kate Fox te communiceren met de geluiden. Samen
met haar zusters Margaret die toen 9 jaar was en de 23-jarige Leah, ontwikkelde ze een
code waardoor het tikken de letters van het alfabet kon verduidelijken.
De bron identificeerde zich als een mevrouw Splitfoot, een geest. Het nieuws over de
gezusters Fox verpreidde zich snel, en spoedig woonden duizenden de seances van de
zusjes Fox bij en zochten ze advies. Meer mediums verschenen in Europa en Amerika,
maar daar communiceerden de geesten meer door spreken dan door tikken.
Tussen 1880
en 1920 beleefde het spiritisme een ongekende populariteit en honderdduizenden communiceerden
met de geesten en zielen van de overledenen met behulp van de mediums en
Ouija-borden. Maar er zijn ook verslagen bekend van conversaties die een heel andere
identiteit hadden.
Op 17 maart 1919 zouden een meneer Steward White en zijn vrouw Betty White via een
Ouija-bord contact krijgen met een groep wezens die zichzelf de onzichtbaren noemde.
De onzichtbaren communiceerden eerst met de Whites door middel van automatisch schrift
en later door de stem van mevrouw White. De boodschappen van de onzichtbaren
vertonen veel overeenkomsten met die van de huidige ufo-entiteiten; gezegd werd dat hun
doel was de spirituele groei van de mensheid te bevorderen en er werden raadselachtige
verklaringen over God gegeven.
In 1952 zou ufo-contactee George Hunt Williamson proberen langs mediamieke weg
communicatie met buitenaardsen tot stand te brengen. Naar zijn zeggen had hij succes; hij
zou contact hebben gekregen met wezens van de planeet Masar. In het proces gebruikte hij
een zelfgebouwd soort Ouija-bord. Dergelijke apparatuur werd al eeuwen gebruikt, maar
het huidige Ouija-bord werd pas in 1892 uitgevonden door de Amerikaanse uitvinder Elijah
Bond. In 1953 zou Alfred Bender, oprichter van één der eerste ufo-onderzoeksbureau's,
het ook op deze weg proberen tijdens de World Contact Day een internationaal experiment waarmee men probeerde contact met buitenaardsen te krijgen.
De verslagen bevatten
talloze overeenkomsten met berichten van mediums en hun ontmoetingen met demonen in
de occulte literatuur.
Tegenwoordig worden mediumistische pogingen om contact te
krijgen met buitenaardsen channeling genoemd.