Zegen aan jullie, wezens van Shan. Ik groet jullie in liefde en vrede. Mijn identiteit is
Ashtar, commandant van de quadra sector, patrouille station Share, alle projecties, alle
golven. Gegroet. Door de Raad van de zeven lichten ben je hier gebracht, geïnspireerd
door het innerlijke licht om je medemens te helpen.
George W. van Tassel, I rode a Flying Saucer, 1952.
Eén van de vroeg 19e eeuwse contactees was spiritsit, vrijmetselaar en schrijver John Ballou Newbrough (1821 - 1891). Newbrough's moeder was een overtuigd spiritiste en de jonge John groeide op terwijl hij in dit geloof deelde. Mogelijkerwijs kende zijn moeder het vreemde verhaal van de extatische maagden van Tirol, die aan het einde van de 18e en het begin van de 19e eeuw beweerden bezocht te worden door de verschijning van Jezus. Newbrough reisde veelvuldig door Europa en het verre Oosten, lezingen gevend aan spiritistische groepen terwijl hij gekleed ging in fel gekleurde Oosterse gewaden. Zijn faam als medium en automatisch schrijver verspreidde zich snel.
Het automatisch schrijven werd in die periode veelvuldig beoefend; in Parijs zou de jonge Isidoor Ducasse het mysterieuze boek Les Chants de Maldoror in 1869 min of meer automatisch schrijven. Les Chants de Maldoror, dat op één niveau als een psychopathologische studie van een man in het zwart geldt, werd een bijbel van de surrealisten die het automatich schrift in de kunst zouden introduceren onder de naam ecriture automatique.
Legenden koekten samen rond de persoon van Newbrough. Er werd verteld dat hij in staat was met beide handen schilderijen in totale duisternis te schilderen. Hij zou ook met gesloten ogen om het even welk boek in iedere bibliotheek kunnen lezen. Blavatsky zou beweren op een dergelijke wijze het mysterieuze Stanza's van Dzyan te hebben gelezen, dat volgens één uitleg verhaalt van een buitenaardse beschaving die in de vroegste tijd naar de aarde kwam.
Newbroughs' astrale lichaam zou iedere plaats op aarde kunnen bezoeken, op zich een
begrijpelijk verhaal als we in aanmerking nemen dat een paar jaar later Theodore
Flournoy's boek De les Indes a la planete Mars verscheen, waarin hij vertelde van het
medium Helene Smith dat met haar astrale lichaam naar Mars gereisd zou zijn.
Maar het dokument dat hij naliet, zijn boek Oahspe, is hoe dan ook een vreemd geval
dat op een nog vreemdere manier totstand kwam. Newbrough zou, naar zijn zeggen, op
een nacht in zijn slaapkamer door wezens bezocht zijn, badend in een zacht licht, die hij
"vleugelloze engelen" noemde. Deze zouden gedurende een jaar lang zijn automatisch
schrijven op een typemachine sturen. Iedere ochtend voor de zon opkwam, daalde de
kracht op hem neer terwijl hij alleen in zijn kleine appartement zat. Op een ochtend keek
hij uit het raam en zag hij een lange streep van licht die op zijn handen rustte en "zich
hemelwaarts uitstrekte, als een telegraafdraad naar de lucht. Over mijn hand hadden zich
drie paar handen gematerialiseerd. Achter me stond een andere engel met haar handen op
mijn schouders... Mijn blikken verstoorden de gebeurtenis niet; mijn handen bleven drukken, drukken."
Vijftig weken lang bestuurden de engelen zijn typewerk iedere ochtend een half uur lang. Plotseling stopte deze besturing. De engelen vertelden hem dat nu de tijd gekomen was om voor de eerste keer te lezen wat hij al die tijd getyped had, en het uit te geven als een boek getiteld Oahspe. Newbrough gaf het boek zelf uit in Boston in 1882, en liet het drukken op een pers die hij gekocht had met geld dat hem verstrekt was door zeven anonieme associés. De titelpagina vermeldde geen auteur.
Het boek is voorzien van tekeningen die de engelen moeten voorstellen die zijn handen
bestuurden. De afbeeldingen vertonen een opmerkelijke gelijkenis met de Mahatmas van
Blavatsky. "Mij werd verteld dat ik sommige tekeningen", schreef Newbrough, "zoals
Saturnus, de Egyptische ceremoniën etc, moest kopiëren uit andere boeken."
Oahspe leert dat er één uiteindelijke god is die enorme hoeveelheden en hierarchiën van
mindere en kleinere goden bestuurd. Hierin lijkt het boek veel op de 15e eeuwse boeken
van 'engelenmagie', zoals Trithemius' Steganographia en Polygraphia, en Dee's
Enochiaanse cosmogonie, of de Indiase cosmogonie.
De god uit Oahspe heeft veel namen: I AM, Ormazda, Eloih, Schepper, De Allerhoogste
en Jehovih-Om. Jehovih is het mannelijk en positieve aspect van de schepper. Om is de
negatieve een vrouwelijke kant. Zoals in de kabbala en het Urantia Boek heerst een
mindere god over iedere bewoonde planeet. Deze goden heten in de kosmogonie van
Oahspe Emuts. De god die aan de aarde is toegewezen, woont in de hemelse stad Hored
die gesitueerd is "over en boven de bergen van Aotan in Ughoqui, in het oosten van Ul."
Oahspe spreekt van duizenden van millioenen goden, waarvan de helft vrouwelijk zijn.
Het dichtst bij Jehovih zijn zijn ontelbare zonen. Onder de zonen staan de mindere goden,
en onder de goden staan billioenen aartsengelen, engelen en heren. De zonen hebben zulke
namen als Sethantes, Ah'shong, Aph, Sue, Apollo, Thor, Osiris, L'Hua Mazda, Yima,
Lika, Uz en Fragapatti. De godinnen hebben namen zoals Cpenta-Armij, Pathema,
Harrwaiti, Dews, Cura, Yenne, Wettemaiti en D'Zoata en de exotische klank ervan roept
onbewust een overeenkomst op met Dee's Enochiaanse taal of met sommige namen die de
ufo-contactees van ufonauten kregen. Een groot deel ervan komt uit verschillende mythologieën: de Germaanse, Griekse, Perzische, Indiase, etc.
Volgens Oahspe worden mensen geboren zonder dat er sprake is van vorige levens, maar na de dood trekken de zielen in een eindeloze reis van hemel naar hemel naar de perfectie en hierin vertoont het boek een duidelijke overeenkomst met de opvattingen van de Merkavah-mystici, die in astrale staat door de zeven hemelse paleizen naar de zegewagen van God reisden, of de contactees die in ufo's door het zonnestelsel scheerden.
Volgens Oahspe worden drie dagen na de dood de zielen, althans de meeste, door waak-engelen die Ashars genoemd worden, naar de laagste hemel gevoerd, waar ze herboren worden in een "geboortekleed". De engelen die de zielen in ontvangst nemen, worden Asaphs genoemd. De hemel waar de zielen naar toe gaan, is gesitueerd in een hogere dimensie, en derhalve onzichtbaar. Dat gebied heet Atmospheria, omdat het in de atmosfeer van de vortex van de aarde ligt. Alle hemellichamen, de zonnen, de planeten en hun manen, zijn ontstaan uit en worden onderhouden door deze vortexen van 'ruimte-tijd'. Voorbij Atmospheria liggen de hemelen in nog hogere dimensies in een uitgestrekt gebied dat Etheria heet. Het voedsel heet daar heine, wat er gedronken wordt heet haoma. Een sterke geur, een soort parfum dat homa heet, bezwangert het gebied.
De alomaanwezige kleur van Etheria is en soort goud-geel. Alles in Etheria is gemaakt van ethe, een aftreksel van een substantie die corpor heet. Corpor is ook de materie waaruit onze wereld en onze stoffelijke lichamen gemaakt zijn. De zichtbare wereld heet dan ook Corpor, de niet-zichtbare wereld heet Es. Deze niet-zichtbare kent ook bewoners; deze heten Es'eanen. Die van de wereld Corpor heten Corporeanen. Geen twee hemelse werelden zijn gelijk aan elkaar; "alles verschilt van elkaar, en met een onmeetbare glorie op zijn eigen manier". De hemel Haraiti en zes andere hemelen zijn door wezens die Fragapatti genoemd worden, geconstrueerd. Oahspe kent geen hel; de zielen die nog niet geschikt zijn de eerste hemel te betreden, worden opgesloten tot alle kwaad uit hen geweken is.
De engelen reizen rond in nonmateriele Etherische ruimteschepen. Deze voertuigen hebben zulke namen als Arrow, Firre, Abattos, Airavagna, Airata, Avalanza, Beyanfloat, Ballast Flags, Cowpon, Eselene, Koa'loo, Oniy'yah, Otevan, Ometer, Obegia, Piedmazar, Port-au-Gon, Seraphin en Yista. Eén schip, Koa'loo, is bijna zo groot als de aarde. Sommige van deze voertuigen worden voortgedreven door muzikale vibraties zoals in Keely's concept, andere door kleurenvibraties. Veel Faithists, de volgelingen van de leer van Oahspe die tot op vandaag bestaan, geloven dat de ufo-waarnemingen veroorzaakt worden door deze Etherische ruimteschepen.
Dit idee zou bovendien bijna zeventig jaar later in het pamflet The ethership and its mysteries uit 1950 van Meade Layne in de ufologie opduiken, waarin hij een metaphyische interpreatatie van het ufo-fenomeen geeft, speculeert over de voortstuwingssystemen van de "ether-schepen" en een verslag van de conversaties met de etherische broeders die zouden bestaan in een andere dimensie. Layne was eens lid van Dion Fortune's Society of the Inner Light, dat zij oprichtte nadat zij de Golden Dawn verliet. Layne zou zelf de Borderlands Association oprichten en een aantal pamfletten over het ufo-fenomeen publiceren. Zijn synthese tussen ufologie en kabbalah is niet zo vreemd; van Dion Fortune verscheen in 1935 The mystical Cabbalah, dat Layne als lid van haar genootschap ongetwijfeld ijverig bestudeerd heeft. Fortune, voor de volledigheid, was een lid geweest van de Golden Dawn.
Newbrough zou ook een commune oprichten, waar een tempel werd gebouwd; de tempel van Tae, "...een rond, kegelvormig gebouw van één verdieping, aan de binnenkant beschilderd met een miniatuur sterrenhemel, glinsterend met zilveren sterren. Op het altaar lag een opengeslagen exemplaar van Oahspe. Koperen bellen met een exquisite toon spoorden de verbeelding aan. Muurkasten met vreemde kleding en verbazingwekkende maskers. Manifestaties van vreemde rituelen vormden een onderdeel van het symbolische ritueel van de Eerste Kerk van Tae. Hier presenteerde Dr. Newbrough, de Hogepriester van de Faithists, gekleed in vreemde mantels, zacht, gepolijst, geleerd en overtuigend, de leer van Oahspe en onthulde diens orakelen."
Oahspe dook, na jaren in de donkerste hoek van de occulte ondergrond gesluimerd te hebben, op in de ufologische randliteratuur. Raymond Palmer publiceerde een versie van Oahspe. Achter in het pamflet van contactee Van Tassel's I rode a Flying Saucer is een advertentie voor een editie van Oahspe te vinden, het boek wordt vermeld in Eberhardt's bibliografie in de afdeling 'contactee-literatuur voor 1952' en enkele jaren terug stond in het Amerikaanse UFO magazine een paginagrote advertentie voor Oahspe.
Een andere occulte sterrencultus was aan het einde van de 19e eeuw actief in Californië; de Esoteric Fraternity. Een sondering van de geschriften van de oprichter voorziet ons van een unieke inkijk in de ervaringswereld van de mediamieke mens, voor wie de oneindige kosmos gevuld is met astrale, etherische en onstoffelijke levensvormen, sommige prachtig om te ontwaren, anderen daarentegen duister als de ruimte tussen de sterren.
Het genootschap was opgericht door Hiram Erastus Butler die in Pennsylvania geboren
was en stierf in 1916. Butler was een eenvoudige man die zichzelf had onderwezen en
werkte in een zaagmolen. Na een ongeluk waarbij hij enkele vingers verloor, sloot hij zich
14 jaar op en leefde als een kluizenaar. Tijdens deze jaren ontving Butler een aantal
"onthullingen van God", zoals hij ze noemde, en ontwikkelde hij zijn eigenaardige
filosofie die veel overeenkomsten vertoont met de filosofieën van enkele moderne
contactee-groepen. Sommige van zijn theoriën werden gepubliceerd in het boek The
Seven Creative Principles door zijn uitgeverij, de Esoteric publishing Company.
Het boek, dat zelfs een aantal drukken beleefde, is voorzien van een aantal prachtige
kleurenillustraties die een zevenpuntige ster voorstellen met in het midden de ouroboros
die een davidsster omringt, waarin het woord logos afgebeeld is.
Door zinsneden uit het boek leren we dat ook Butler de spiritistische kringen van die
dagen regelmatig bezocht, en elders in het boek schrijft hij: "...Er zijn duizenden vandaag
de dag wiens zesde zintuig geopend wordt, zo dat ze een bewuste waarneming krijgen van
gedachtevormen, van geestentiteiten, zoals ze genoemd worden en soms ook werkelijk zijn."
Net als Newbrough en de adepten van de Golden Dawn hecht Butler bijzonder veel
waarde aan kleuren, want: "Vormen relateren aan het magnetisme van het universum en de
taal van de Schepper, omdat alle vormen gedachten zijn en alle gedachten vormen...Als de
'geestesogen' oftewel het zesde zintuig geopend worden, presenteren zich kleuren en
vormen aan ons zichtveld."
Een andere interessante overeenkomst met Newbrough's
filosofie is dat Butler geel omschrijft als "De kleur van de waarneming. het vertegenwoordigt in zijn aard rust, harmonie; rust, gewoon omdat waarneming behoort tot kennis, en die
gouden perfectie van het geestleven is. Het geel, daarom, vertegenwoordigt perfectie."
De kosmogonie van Butler is er één van verrukking en verbazing. Butler schrijft onder andere: "...als we ons van deze kleine wereld vandaan keren en de telescoop naar de hemelen richten, vinden we daar weer de architect en de mecanicien aan het werk. Alles is orde, perfecte orde, perfecte harmonie. Daar vinden we andere werelden, honderden keren groter dan de onze...zonnen millioenen keren groter dan onze wereld, en deze vliegen allemaal bliksemsnel door de ruimte; zonnen en systemen van werelden die rond hun centra bewegen..."
Bij Butler vinden we de notie dat de mens mogelijkerwijs niet de enige is die de schepping bewoont; anderen bestaan in Butler's mystiek jargon, dat ideeën ontleent aan
Paracelcus, de hermetica en de alchemie, als in stoffelijkheid gegoten energie: "...We lezen
in de oude Kabbala en ontdekken veel over de 'elementalen'...Wat zijn deze elementalen?
Ze worden aan ons beschreven als afkomstig van vier verschilende naturen; de natuur van
vuur, de natuur van lucht; de natuur van water en de natuur van aarde. Ze combineeren
ook de pure elementen van lucht met die van vuur en die van water en uiteindelijk, met
die van aarde, terwijl ze dichter naar de aarde en diens atmosfeer komen. Deze combinaties worden ook beschreven als hebbende vormen zoals mensen, zeer prachtig, zeer
wijs... Ja, de planetiare werelden, in hun rondwentelingen en relaties tot elkaar creeëren
gedachtenvormen en concentreren een deel ervan op de planeet aarde. Deze...worden geïncarneerd in stoffelijke lichamen."
Iemand die ook daadwerkelijk probeerde met deze wezens probeerde te communiceren en
zelfs zijn hele leven in dienst daarvan stelde, was Aleister Crowley (1875 - 1947).
Hij liet
bovendien een manuscript na, het Liber Legis, dat hij door een contact met een wezen
dat hij Aiwass noemde, had verkregen.
Crowley is van groot belang geweest voor de
magische tradities; zoals Eliphas Levi de occulte traditie in de helft van de 19e eeuw van
een nieuw elan voorzag, redde Crowley de magische traditie van een stoffige vergetelheid
door veel oorspronkelijk onderzoek en gewaagde experimenten in allerlei occulte randgebieden.
Op de laatste dag van het jaar 1896, toen een golf van vreemde objecten over Amerika trok, lag Crowley diep in slaap in een hotel in Stockholm. Hij werd gewekt "met de kennis dat ik een magisch middel bezat om bewust te worden en een gedeelte van mijn natuur te bevredigen die zich tot op dat moment voor mij verborgen had gehouden." Hij beschreef dit moment van verlichting verder als "verschrikkelijk en pijnlijk om te moeten ondergaan gecombineerd met een spookachtige angst, maar op hetzelfde moment als de sleutel tot de heiligste en meest pure spirituele extase."
Dit moment van transcendentie opende zijn
ogen; voortaan zou hij zijn leven wijden aan magische studies.
Crowley werd lid van de Hermetische Orde van de Golden Dawn en nam de magische
naam Frater Perdurabo, "ik zal ondergaan" aan.
De Hermetische Orde van de Golden
Dawn met zijn binnenste Orde van de Robijnen Roos en het Gouden Kruis was de kroon
op de 19e eeuwse occulte herleving. De grootste verdienste van dit genootschap was dat
het wijd verspreide en schijnbaar losstaande occulte kennis tot één coherent geheel
smeedde. Volgens de Ierse dichter W.B. Yeats, één van de beroemdste leden van dit
genootschap, ontstond de Hermetische Orde van de Golden Dawn uit een nog ouder
genootschap, de Hermetische studenten.
De oorsprong van deze Hermetische studenten is
legendarisch; gezegd wordt dat een onbekende meester, een figuur zo mysterieus als de
graaf van Saint Germain, op een dag naar Mathers kwam en hem in de mysterieën
inweidde. Deze instructies vormden samen met Mathers visioenen de spirituele basis voor
de Golden Dawn. Yeats probeerde de identiteit van deze onbekende meester te achterhalen, maar noch Mathers noch zijn vrouw Moina konden of wilden niet vertellen wie de meester was.
Lang duurde Crowley's lidmaatschap echter niet. In 1900 reisde hij naar Mexico; na
weken van gebed, meditatie en magische rituelen waaronder een aanroeping van de god
van de stilte Harpocrates, en het aanwenden van de Enochiaanse aanroepingen, kreeg hij
een vaag visoen toen hij in een kristal schouwde.
Rusteloos als altijd reisde hij in 1904 naar Egypte. Het verhaal wil dat hij een nacht met zijn vrouw Rose doorbracht in de koningskamer van de grote piramide.
Bij het licht van een enkele walmende kaars die op de rand van de granieten sarcofaag was opgesteld, las hij de Voornaamste Invocatie uit de Goetia. Terwijl Crowley de woorden van magische kracht voordroeg - Modorio, Phalarthao, Doo, Ape; ontdekte hij dat hij niet langer naar de kaars gebogen was om wat te kunnen zien. Hij realiseerde zich dat de hele kamer baadde in een rozeachtig licht. Hij blies de kaars uit en maakte de invocatie af. Het 'astrale licht' verdween uiteindelijk langzaam.
Het was in Cairo, dat Crowley in contact kwam met een entiteit die hij nooit zou zien, maar die zich manifesteerde als een stem achter zijn rug. Deze stem dicteerde aan hem het Liber Legis. Volgens Crowley werd hij in verleiding gebracht over zijn schouder te gluren om een glimp op te vangen van zijn heilige beschermengel; kennelijk deed hij dit, want hij zag het wezen dat zich Aiwass noemde "zwevend in een soort wolk" en gelijkend op "een grote donkere man van ongeveer dertig jaar...met het gezicht van een barbaarse koning en zijn ogen bedekt opdat ze niet vernietigden wat ze zagen". Greenfield meent dat deze beschrijving lijkt op de moderne gevallen van de mannen in het zwart.
King merkt op dat het Liber Legis een "demonische proza-poezie is" geschreven in de
stijl van de schrijvers aan het fin-de-siècle, met een boodschap die een nieuwe religie
verkondigt die de oude religies van de "slavengodheden" vervangt; het boek bevat
profetische stukken, en onbegrijpelijke passages.
Anderen zien in het werk verschillende overeenkomsten te zien tussen het Liber Legis, de kabbalah en de tarot.
Coincidenteel zou in hetzelfde jaar een andere ziener en contactee, Austin Osman Spare die lid was van Crowley's Argenteum Astra, zijn eerste boek Earth: Inferno samenstel len dat hij de lente erop zou publiceren. Crowley wist jarenlang niet goed wat hij met dit Liber Legis aanmoest. Hij negeerde het zelfs, bewaarde het manuscript in een koffer en hij was het bijna kwijt totdat de betekenis in latere jaren tot hem doordrong. Hij vond het manuscript toevallig pas weer in 1909, toen hij op zoek was naar een aantal magische schilderingen, volgens King "curieuze veelkleurige vierkanten met letters waarnaar de ingewijden van de Golden Dawn refereerden als De Elementale Wachttorens van Dr. Dee".
In 1910 had het manuscript Crowley in zijn greep; vanaf dat moment tot aan zijn dood in
1947 in het Engelse plaatsje Hastings leefde hij zijn occulte leven in overeenstemming met
de voorschriften van het vreemde boek. Crowley bleef pogingen ondernemen om te
converseren met andere entiteiten, door middel van astrale projectie dat hij "opstijgen naar
de vlakten" noemde, waar "engelachtige wezens" en "fantastische landschappen" wachtten.
Crowley verwoordde zijn gedachten over de aard van deze wezens in een brief aan een
pupil in 1944, en deze gedachten lijken op die van Butler: "Mijn observatie van het
universum overtuigt me dat er wezens zijn met een intelligentie en een kracht van veel
hogere kwaliteit dan alles wat we ons als menselijk kunnen voorstellen...de enige kans
voor de mensheid om als een geheel vorderingen te maken is om contact te maken met
zulke wezens." Ook zou hij aan het einde van zijn leven over de entiteit Aiwass, of Aiwaz,
zeggen: "De engel is eigenlijk een individu, met zijn eigen universum, precies zoals de
mens is...hij is meer dan een mens, misschien een wezen dat de stadia van de mensheid is
gepasseerd..."
Toen Theo Paijmans Kenneth Grant schreef met de vraag of Crowley inderdaad als contactee beschouwd kon worden, luidde diens antwoord: "We kunnen inderdaad zeggen - en
ik heb dit reeds gezegd in mijn boeken - dat Aleister Crowley een contactee was. Hijzelf,
natuurlijk, zou niet bekend zijn geweest met de term omdat deze toegepast werd op een
specifieke klasse van fenomenen die pas na zijn dood algemeen bekend of ingedeeld
raakte... Andere overeenkomsten die ik in 1945 in Aleister Crowley's persoonlijke gedrag
opmerkte, die ik later interpreteerde als symptomatisch voor contacten met elders, waren:
a) een voelbare koude in zijn onmiddelijke omgeving en aanwezigheid
b) een plotselinge
verbaasde oplettendheid die mogelijkerwijs wees op de aanwezigheid van een onzichtbare
entiteit, schuilend in zijn omgeving
c) vreemde en onverwachte overgangen (tijdens
gesprekken of andere activiteiten) in een lichte trance-staat, gekarakteriseerd door
langdurig staren in de ruimte, begeleid door latere extreme uitputting.
Er moet bij gezegd
worden dat ik er toen niet aan dacht dergelijke eigenaardigheden toe te schrijven aan de
aanwezigheid van zulke entiteiten. De meeste mensen - waaronder ik - schreven dit toe
aan de drugs die Aleister Crowley gedwongen was in te nemen op medische gronden, dan
als het binnendringen van buiten."
Misschien wel de meest beroemde van alle moderne contactees is
George Adamski (1891 - 1965)
De Poolse immigrant Adamski was één van die mensen die uit de occulte ondergrond naar de opervlakte kwam en gedurende een aantal jaren de verbeelding van de
mensen ving. Een interessant detail is dat Adamski in 1913 in Mexico gelegerd was, waar
in hetzelfde jaar de schrijver Ambrose Bierce verdween. Adamski was een adept in de esoterische doctrines; in de dertiger jaren richtte hij het genootschap The Royal Order of
Tibet op. De inhoud van het pamflet Questions and answers by the Royal Order of Tibet
uit 1936 toont dat Adamski veel, zo niet alles van zijn esoterische filosofieën ontleende
aan de Theosofie.
In 1944 verhuisde Adamski naar Mount Palomar, waar hij aan de voet van de berg met
het beroemde observatorium een hamburgertent beheerde. Gedurende de jaren veertig
schreef Adamski samen met Lucy McGinnis een science fiction roman Pioneers of Space:
a Trip to the Moon, Mars and Venus die in 1949 gepubliceerd werd. Tussen 1950 en 1951
maakte Adamski vershillende foto's waarop vreemde vlekken en vormen te zien zijn.
Adamski dacht zelf dat het vliegende schotels waren. Misschien transformeerde zijn geest
in die jaren, in die lange en eenzame periodes waarin hij als in een trance de hemel
bestudeerde, naar een sjamanistische toestand. Zijn eigen uitspraken lijken dit te bevestigen:
"Vanaf 1950 tot de lente van 1951 was de beloning voor het continue observeren van
de lucht een beetje teleurstellend... Want gedurende deze tijd was ik alleen maar in staat
om witte puntjes ver weg in de ruimte te fotograferen... Ofschoon ik stelselmatig observeerde, zag ik eindeloze hoeveelheden van vreemde flitsen die ver van de aarde verwijderd
leken..." In 1952 zou de kwaliteit van zijn foto's verbeteren, omdat volgens Adamski, de
ruimteschepen nu veel dichter naar de aarde kwamen.
Op 20 november 1952 had Adamski zijn beroemde contact met een buitenaards wezen in
de woestijn van Californië. Hij trok de woestijn in met occultist en antropoloog en latere contactee
George Hunt Williamson diens vrouw Betty Williamson, de heer en mevrouw Al Baily,
Lucy McGinnis - met wie hij de science fiction roman geschreven had - en Alice K.
Wells. Nadat hij een sigaarvormige ufo had gezien, liep hij een ravijn in waar hij een
Venusiaan tegenkwam, die met gebarentaal en langs telepatische weg met Adamski
converseerde. Hij beschreef het wezen als menselijk en met schouderlang, blond haar. Het
wezen was ook in staat om beelden in zijn hoofd te projecteren.
Het wezen zei van Venus te komen en zei dat hij en zijn soortgenoten zich zorgen
maakten om de aardse kernproeven en de straling die dat opleverde; die zou gevaarlijk
zijn voor de andere planeten van het zonnestelsel.
Volgens Adamski geloofden Venusianen in een Schepper en het wezen vertrouwde hem
ook toe dat ruimtevaart gemeengoed was, dat wezens van andere planeten de aarde vaak
bezochten en dat sommige buitenaardsen waren omgekomen bij dergelijke expedities.
Toen Adamski aandrong vertelde het wezen dat in een aantal gevallen, mensen daarvoor
verantwoordelijk waren. Nadat het wezen vertrokken was, zag Adamski dat het een diepe
voetafdruk had achtergelaten, waar hij vreemde hieroglyphen bespeurde. Een afdruk van
gips werd gemaakt door Williamson.
In 1953 publiceerden Adamski en Leslie het boek Flying Saucers have Landed. Van de
232 pagina's zijn er 170 door Leslie gevuld met de stelling dat vliegende schotels de aarde
al vanaf het begin der tijden bezochten. Op de laatste 60 pagina's beschreef Adamski zijn
contact met het ruimtewezen. Een interessant detail is dat hij aan het schip refereerde als
"het schip van de grote Ether", een vingerwijzing naar zijn occulte achtergrond.
Dankzij deze laatste zestig pagina's werd het boek een
enorm succes. Edities verschenen ook in het Nederlands. In zijn tweede boek Inside the
Spaceships uit 1953 zou Adamki beweren met een ufo naar de achterkant van de maan te
zijn gereisd, waar hij steden, bossen, meren en met sneeuw bedekte bergen had gezien.
Zijn beweringen die door bevindingen van ruimtesondes van de Verenigde Staten en de voormalige Soviet Unie weerlegd werden, veroorzaakten een diep schisma in de particuliere ufo-onderzoeksgroepen. Organisaties zoals NICAP weigerden bijvoorbeeld meldingen en berichten in hun bestanden op te nemen als het landingsrapporten waren.
In 1959 trok Adamski de wereld rond en werd ontvangen door de Paus en koningin Juliana.
De Nederlandse kranten berichtten er bevreemd maar gedecideerd over, en ook
een lezing die Adamski in Den Haag gaf, verliep met name door een gebrekkige vertaling,
niet vlekkeloos. Tijdesn een lezing op een universiteit in Zwitserland werd hij met gebak
bekogeld door baldadige studenten en moest hij haastig de aftocht blazen door een
achterdeur. In 1961 verscheen het boek met de weemoedige titel Flying Saucers Farewell,
waarin Adamski beweert dat leven op de andere planeten van het zonnestelsel
bestaat, dat de aarde sinds bijbelse tijden bezocht werd door bezoekers uit de ruimte en
dat veel ervan nu op de aarde leefden. Ook gaat Adamski in op de filosofie van de
ruimtewezens, waarvan hij zegt dat die "bruikbaar is voor de gehele mensheid."
Adamski stierf in 1965. Zijn laatste bezigheden bestonden uit lessen aan mensen om met behulp van hypnose Mars en Venus te bezoeken. De ufologie vergat hem beschaamd; in het ongunstigste geval werd Adamski het epitoom voor alles wat belachelijk was aan ufologie. De laatste jaren wordt het controversiële beeld rond Adamski iets genuanceerder; onder andere door studies van Timothy Good en Lou Zinsstag: George Adamski, the untold story (1983), en Their Man on Earth (1990).
Ofschoon Adamski meer dan tien jaar een belangrijke plaats innam aan de grenzen van de ufologie, zijn veel van zijn activiteiten in schaduwen gehuld. Hij droeg bij an het geloof dat er een grote samenzwering was, die de Silence Group zou heten. Deze groep was erop gericht de waarheid over UFO's voor het grote publiek verborgen te houden.
Niet lang na Adamski's dood publiceerde contactee Orfeo Angelucci zijn verslag van
ontmoetingen met buitenaardsen in het boek Secret of the Saucers in 1955. Ook hij zou
zijn ontmoetingen gehad hebben in de Californische woestijn. Ook hij zou aan boord van
een ufo zijn geweest en een reis door het zonnestelsel gemaakt hebben. Zoals in het geval
van contactee Truman Bethurum, was één van de buitenaardsen een vrouw die Lyra
heette. Volgens Angelucci ontmoette hij de wezens zelfs in het openbaar. Angelucci zou
zelf in een vorig leven een buitenaards wezen zijn geweest met de naam Neptune.
De boodschap van de wezens luidde dat, tenzij de mensheid haar gedrag zou verbeteren,
de wereld een grote ramp zou staan te wachten. Het jaar waarin dat zou hebben plaatsgevonden was 1986.
Tegenwoordig is het ufologisch spectrum bezaaid met contactees en channelers van divers pluimage; de bekendste is wel de Zwitser Billy Meier. Echter, studies geven aan dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan de echtheid van zijn beweringen. De goede man zelf heeft dat ook toegegeven, en daarmee verloor de contact-beweging zijn laatste grote voortrekker. Het wilde echter niet zeggen dat de contacten ten einde waren. Verhalen die zijn afgeleid van Meiers verzinsels floreren als nooit tevoren en vooral de new-age beweging is debet aan een hoog aantal onzinnige occult en ufologisch gekleurde stellingen en beweringen, die vooral het Internet teisteren.
Het wachten is nog op de eerste 'buitenaardsen' die zich direct op het Internet manifesteren; de snelheid van dat medium kennende, zal dat niet lang op zich laten wachten.