|
|
|
|
Rudolf Otto: Indiens Gnadenreligion und das Christentum; Vergleich und Unterscheidung. München, C.H.Beck, 1930
India's
religion of
grace and
christianity;
compared and
contrasted;
transl. by
Frank Hugh
Foster, D.D.,
London 1930
India's
Religion of
Grace
and
Christianity
Compared
and
Contrasted,
trans. F.H.
Foster. New
York: Macmillan
1980
Hans Rollmann:
Ein Brief Adolf
von Harnacks an
Rudolf Otto
über die
Gnadenreligion
Indiens
in:
Zeitschrift für
Religions- und
Geistesgeschichte
31 (1979)
|
|
Bekend zijn
Rudolf Otto's
boeken
West-Östliche
Mystik,
Indiens
Gnadenreligion
und das
Christentum,
Sünde und
Urschuld,
en ook kleinere
tekstuitgaven
van oosterse
mystiek,
bijvoorbeeld
Siddhânta des
Râmânuja,
'Texte zur
indischen
Gottesmystik',
of ook
Vischnu-Nârâyana.
Op allerlei
punten worden
in deze
geschriften
overeenkomstige
of
gemeenschappelijke
trekken
aangewezen
tussen de
mystici van het
Westen,
bijvoorbeeld
Eckehart, Suso,
Hugo van St.
Victor,
Nicolaus
Cusanus en
anderen, en
Japanse,
boeddhistische
en Indische
mystici en
wijzen, tussen
de
Bhakti-religie
en het
christendom.
Natuurlijk
blijft Otto op
de verschillen
wijzen die het
christendom van
deze oosterse
religies
blijven
onderscheiden,
maar de
overeenkomsten
zijn toch zeer
vele. Met name
het
onberedeneerbare
moment geeft
verbinding. De
mystiek moet
wel verbinding
leggen tussen
de christelijke
en andere
religies, want
volgens Otto
heeft zij toch
altijd een
uiterlijk
kenteken en, zo
heet het dan:
'Die [..]
Erkennungsmarke
ist die bald
leiser bald
stärker und
gelegentlich
fast
leidenschaftlich
hervortretende
Ablehnung
begrifflicher
Bestimmbarkeit
des religiösen
Objektes
selber. Sie
zeigt sich
darin, daß auch
die religiösen
Darstellungsmittel
[...] dem
'Irrationalen',
dem 'mirum'
sich nähern
oder ganz in
dieses
übergehen und
dann zu bloßen
'Ideogrammen'
eines
Irrationalen
werden.'
Otto geeft aan
dat de
verschillende
vormen van
mystiek
uiteindelijk
samenhangen met
en opkomen uit
dieper liggende
grondbeschouwingen,
waaruit dan in
een bepaalde
omgeving een
bepaald type
van mystiek zou
zijn opgekomen:
'Denn keine
Mystik wölbt
sich im Blauen,
sondern jede
steht unter
einem Grunde
den sie selber
nach Kraften
leugnet, und
von dem sie
dennoch immer
erst ihr
besonderes und
mit anderswo
gewachsenem
Mystiken
niemals
identischen
Wesen erhalt.'
Zo blijft Otto
nuchter genoeg
om te
protesteren
tegen een
versmelting van
de verscheidene
vormen der
mystiek. Hij is
het nog niet
eens met
Luzac's
Oriental
Religions
Series,
in zoverre deze
serie de
gedachtewereld
van het Oosten
indringen wil
in de
filosofische
categorieën van
het Westen, ja
ze zelfs
daarmee
verwisselen
wil. Evenmin
wil Otto
meegaan met het
door ons reeds
besproken
monisme van
Haeckel, of met
de klassieke
theorieën over
de verhouding
tussen lichaam
en ziel waarin
het
lichamelijke en
geestelijke
stuk voor stuk
met elkaar
corresponderen
zonder in
wisselwerking
te staan, zodat
elke
gebeurtenis op
het lichamelijk
gebied steeds
door een
geestelijke
gebeurtenis
wordt
beantwoord en
omgekeerd
(psychofysisch
parallellisme;
Spinoza,
Leibniz,
Fechner).
Rudolf Otto
legt op de
overeenkomsten
grote nadruk en
de verschillen
tussen ware en
valse religie
door deze
beschouwingen
niet
doorbreekt.
Zijn standpunt
komt
uiteindelijk
neer op het
spreken van
'Parallelen und
Konvergenzen in
der
Religionsgeschichte',
zoals hij dat
zegt in zijn
boek
Das Gefühl des
Überweltlichen.
Het is volgens
Otto absoluut
onjuist de 'geradezu
erstaunliche
Parallelbildung'
die je
constateren
moet bij
vergelijking
van oosterse en
westerse
religies zo
maar te
verklaren uit
'Entlehnungen
und
Herübernahmen':
'Nicht mit
Entlehungen
sondern mit
Parallel- und
Konvergenzbildungen
haben wir es
hier zu tun.'
Deze wet der
parallellie is
volgens Otto in
de
Religionsgeschichte
algemeen. Ze is
te verklaren
uit de
algemeenheid
van het
godsdienstig
gevoel, en
daaruit
ontspringt dan
ook zijns
inziens de
zogenaamde
'Vorreligion'.
Deze laatste is
nog wel niet
een wezenlijke
religie, maar
toch werkt
daarin al een
elementair
numineus
gevoel, dat
later de
religie
ontwikkelt.
Zo valt de
overeenkomst
tussen
Pythagoras
in het Westen
en
Kungfutse
in het Oosten
op. In Israël
treden als
parallelverschijning
met deze twee
de profeten
Elia tot
Deutero-Jesaja
en Ezechiël op.
Bij de Perzen
is er de
werkzaamheid
van Zoroaster.
Overal vindt je
volgens Otto
overeenkomsten
in de bepaling
van de
verhouding
tussen
transcendentie
en immanentie,
in de behoefte
aan verlossing,
in ideeën en
idealen, in
ascese, en ook
in de vormen
van de
zogenaamde
verlossingsmystiek.
Want omdat Otto
niet van de
openbaring
uitgaat die
buiten ons zou
liggen en van
buitenaf tot
ons komen moet,
maar van de
religieuze
persoon zelf,
kan hij in
overeenstemming
met de
Romantiek en
Schleiermacher
ook deze
zogenaamde
verlossingsmystiek
algemeen maken.
De verering van
het heilig hart
van Jezus, de
met name
middeleeuwse
geestelijke
erotiek,
waarbij de ziel
een relatie
heeft met
Jezus, vindt
volgens Otto
overeenkomsten
in allerlei
oosterse
religies. Ook
daar kent men
immers
incarnaties van
de godheid;
overeenkomsten
met Salomo en
Sulamit in het
Hooglied:
"Ja auch der
Krischna-Kult
kennt das
zärtliche
Gekose mit dem
'Kindlein',
den Kult des
Bambino."
In soortgelijke
zin herkent
Otto dan ook
overeenkomsten
in de
theologie. Ook
deze
overeenkomsten
kan hij door
zijn standpunt
waarmaken,
omdat de
theologie
verklaard wordt
uit de mens.
Alles
samengevat
heeft, volgens
Otto, men
steeds te maken
met de
convergentie
der typen in de
religie, dit
dan als gevolg
van 'die
zugrunde
liegende
einheitliche,
gemeinsame
Anlage der
Menschheit
überhaupt'.
Typen van zeer
verscheidene
soorten en
klassen van
dieren en
planten kunnen,
zoals Otto in
herinnering
brengt, soms zo
zich wijzigen
dat ze al meer
op elkaar gaan
lijken in
gestalte en ook
in functie, ja
dat ze
tenslotte 'in
Endformen
ausgehen von
überraschende
Übereinstimmungen'.
Welnu, zoiets
gebeurt naar
zijn mening ook
op het erf van
de
godsdienstgeschiedenis.
Alleen maar:
men late zich
hier
waarschuwen
door de
historie. Ten
onrechte heeft
men immers vaak
uit de
convergentie
der typen al te
voorbarig
geconcludeerd
tot de
afhankelijkheid
van het ene ten
aanzien van het
andere type.
Uit
convergentie
heeft men al te
gemakkelijk
geconcludeerd
tot
descendentie.
Deze fout
wreekte zich,
zegt Otto, en
daarom wil hij
er zich voor
wachten op het
gebied der
Religionsgeschichte.
Men gaat terug
op de algemene
religieuze
aanleg van alle
mensenleven.
''Religion'
gestaltet sich
geschichtlich
in
'Religionen',
die
untereinander
[..]
einheitlich
aber auch [..]
individuell
besondert sind
[..]. Ihre
generische
Einheitlichkeit
schließt, wie
bei allen
anderen Anlagen
des
menschlichen
Geistes auch,
die spezifische
Sondergestaltung
nicht aus
sondern ein.'
Het is
duidelijk dat
Otto's
standpunt
leiden moet tot
het verdwijnen
van grenzen
tussen ware en
valse religie.
De laatste tijd
is dit al
duidelijker
naar voren
gekomen, toen
Otto
bijvoorbeeld
naar Zinzendorf
wees als naar
de ontdekker
van wat Otto
noemt de
sensus numinis.
Zinzendorf
heeft in 1745
een voordracht
gehouden:
Naturelle
Gedanken vom
Religions-Wesen.
Hier wordt dus
door Zinzendorf
een bepaald
'Wesen', een
algemeen wezen
der religie
aangenomen en
dit algemene
wezen openbaart
en
verwerkelijkt
zich dan verder
in verscheiden
vormen van
concrete
religies. Min
of meer gaf
Zinzendorf dus
het project
reeds aan van
een
fenomenologie
der religie,
waarin naar
oermomenten en
naar
wezensmomenten
van het
religieuze
gevoel gezocht
werd, en
waardoor
Zinzendorf een
voorloper werd
van
Schleiermacher.
Dit laatste
interesseert
ons, omdat bij
Schleiermacher,
zoals al boven
opgemerkt is,
het gevoel als
onmiddellijk
tegenover de
reflectie als
middellijk
staat, en
daardoor de
sensus, het
gevoel, in de
religie
aanwezig wordt
geacht als
religieus
gevoel, dat
onafhankelijk
is van het
reflecterende
denken
(vergelijk wat
eerder is
gezegd over
Fries,
Schleiermacher
en Otto). Op
het standpunt
van Otto in
zijn beroep op
Zinzendorf komt
het er dus voor
de
beantwoording
van de vraag of
ergens waarlijk
religie is niet
op aan, na te
gaan of het
religieuze
subject een
zuivere dan wel
onzuivere
theologie volgt
in zijn
reflecteren. De
sensus
numinis
immers wordt
zowel door Otto
als door
Zinzendorf
aanwezig geacht
ook bij de
verst
verwijderde
heidenen,
losgemaakt van
hun
voorstellings-
en denkinhoud,
daarvan
onafhankelijk
gemaakt en dan
voorts
gepredikt als 'geschichtlicher
Ursprung der
Religion'.
Door dit
standpunt in te
nemen wil Otto
ontkomen zowel
aan het
naturalistisch
evolutionisme
als ook aan de
opvatting van
Wilhelm Wundt,
die in zijn
Völkerpsychologie
en ook in zijn
Mythos und
Religion
de religie
heeft afgeleid
uit het
animisme. Over
de
evolutiegedachte
op dit terrein
hebben we al
gesproken. Zij
zoekt in
verscheidene
religies de
gevolgen van
een innerlijke
ontwikkeling en
pleegt daarbij
in het midden
te laten of
alle concrete
religies uit
een enkele
voorhistorische
religie zouden
ontsproten zijn
dan wel of de
verscheiden
'Religionsfamilien',
zoals
Tiele/Söderblom
het uitdrukt, 'aus
ebenso vielen
nur ideell
verwandten und
selbständig
entstandenen
Religionen
entsprungen
sind.'
Wat verder het
zo even reeds
genoemde
standpunt, de
hypothese van
het animisme
namelijk,
betreft, op dit
standpunt leidt
men de religies
van de
zogenaamde
geciviliseerde
soorten af van
het animisme.
Men meent dat
er in de
religie van de
zogenaamde
historische
volken nog heel
wat
overblijfsel
van
achtergebleven
is. De
aanhangers deze
hypothese
leggen dus alle
nadruk op het
hoge belang van
het kennen der
animistische
voorstellingen
(voorstelling
tegenover
sensus numinis
van Otto). Als
grondvorm van
die alle wordt
dan aangegeven
het animatisme
of het
animisme. Het
animatisme wil,
om met
Tiele
en
Söderblom
te spreken,
alles 'nach
Analogie des
Menschen als
lebendiger
Wille
betrachtet'
zien en het
eigenlijke
animisme
probeert alle
leven en
beweging en
natuurverschijnselen
te verklaren
uit de werking
van zielen of
geesten.
Het is dus
duidelijk dat
Otto zich zowel
van de ene als
van de andere
hypothese heeft
losgemaakt.
Tegenover
Wundts mening
brengt hij dit
bezwaar in, dat
het niet
aangaat met
Wundt vol te
houden dat bij
de volkeren
levende
voorstellingen
tenslotte
godsvoorstellingen
zijn geworden,
en dat nu
daaruit de
religies kunnen
verklaard
worden. Want
niet van
voorstellingen,
maar van
bepaalde 'elementare
Erlebnisakten'
moet men
uitgaan,
volgens Otto,
wil men in de
godsdienstgeschiedenis
en
godsdienstfilosofie
het wezenlijke
treffen. Deze
Erlebnisakten
zijn volgens
Otto totaal
onafhankelijk
van de
voorstellingen
die men zich
vormt. In dit
standpunt
herkennen wij
weer de eerder
besproken
opvatting van
Otto, dat het
gevoel
onmiddellijk is
en als mystieke
intuïtie veel
hoger is te
taxeren dan de
reflectie, die
fouten maakt.
'Das
Erschrecken auf
weiter Haide,
in der
Mittagsglut
weiter Steppen
oder im Schauer
der Nacht setzt
wiederum nicht
eine
vorhergehende
'Vorstellung'
eines Geistes
oder Dämon
voraus sondern
kann völlig
spontan
hervorbrechen
und sich
nachträglich
etwa in jene
Vorstellung
hüllen oder es
kann sich auch
ganz ohne
irgendeine
Konkretisierung
des vermeinten
Grundes des
Erschreckens
behaupten und
wiederholen
[...]. Das
Einheits-Erlebnis
des indischen
Mystikers setzt
nicht konkrete
Gedanken-gebilde
voraus [...].
Es geht allen
Vorstellungsbildungen
voran [...];
und zu ihrem
Verständnis
hilft uns keine
Völkerpsychologie
sondern grade
im Gegenteile
allein die
Seelenkunde
höchst
individueller
Gemüts-veranlagungen
ganz
individuell
Begabter'.
Nu Otto zich
zowel van het
evolutionisme
als van de
animistische
hypothese heeft
losgemaakt,
betekent
inderdaad zijn
opvatting iets
nieuws. Maar
over van de
vraag of het
christendom
zich als ware
religie
tegenover de
andere religies
handhaven kan,
leidt Otto's
standpunt tot
hetzelfde
negatieve
resultaat als
de hierboven
besproken
meningen. Uit
de kring van
Otto wordt al
meer materiaal
aangedragen
voor de
stelling, dat
de tussen het
Oosten en het
Westen zolang
beweerde
tegenstelling
moet worden
losgelaten, en
men gaat tevens
al verder in
het leggen van
contact tussen
Oost en West,
ook in het
reconstrueren
van de oudste
geschiedenis
van het
christendom.
Met name
diegenen die
door het
kerkelijk
christendom als
ketters zijn
veroordeeld
worden als
dragers van
oosterse
motieven
verklaard en
dan ook min of
meer in
bescherming
genomen. Zo
heeft Otto in
zijn boek over
de sensus
numinis een
afzonderlijke
verhandeling
gegeven over
Origenes en de
Indiase
theologie, en
op de
Eranos-conferentie
van 1933 zocht
men ook naar
oosterse
invloeden of
overeenkomsten
bij het
nestorianisme.
Deze verklaring
van de
religieuze
verschijnselen
uit een
mystisch,
apriori gegeven
religieus
gevoel zal dan
ook kunnen
leiden tot een
al verder
doordringend
besef dat de
geschiedenis
van het
christendom
tenslotte
beheerst wordt
in zijn
hoogtepunten
door kapitale
vergissingen.
Op die
hoogtepunten
immers heeft
het
verscheidene
malen bepaalde
ketters
veroordeeld,
die toch
eigenlijk
slechts
parallelle
verschijningen
waren van in
andere, met
name oosterse,
religies
opkomende
religieuze
voorstellingen
of werkingen,
die bestemd
waren om van
elders toch
weer op te
komen in de
kerk. De
overeenkomst
tussen Oost en
West wordt door
Otto verklaard
uit 'eine
Gesetzlichkeit
[...] die auf
gemeinsames
Funktionieren
der
Allgemeinpsyche
und auf intime
Einheitlichkeiten
der
Kulturmenschheit
deutet, die
mehr
funktionelle
Übereinstimmungen
als Austausche
sind.'
Klaas Schilder (1890-1952)
bewerking: D. Mok
|
AAl onze uitgaven zijn op voorraad bij:
Boekhandel
Kirchner
Als u dat
wilt
stuurt
Boekhandel
Kirchner
de boeken
naar uw
adres. |