Inleiding
 
The Varieties of religious experience van William James behoort tot de belangrijkste publicaties van de godsdienstpsychologie. Het is een briljant geschreven werk dat onmiddellijk na het verschijnen in 1902 zeer sterk de aandacht trok van een uitgebreide lezerskring. De wetenschappelijke discussie om dit boek laaide hoog op en bracht het denken van James nog meer dan toen reeds het geval was in het centrum van velerlei beschouwingen. De oorzaak daarvan ligt zowel in de indringende wijze waarop James het wezen van de religieuze verschijnselen trachtte doorlichten als ook in de literaire vormgeving.
William James werd op 11 januari 1842 in New York geboren. Zijn vader, voor wie hij een grote eerbied koesterde en die zeer veel bijgedragen heeft tot zijn persoonlijke ontwikkeling, groeide in een streng calvinistisch milieu op en studeerde aanvankelijk voor predikant. Door verschillende omstandigheden echter brak hij zijn studie af en vervreemdde van kerk en geloof. Op 35-jarige leeftijd evenwel kwam hij in aanraking met de geschriften van de 18e eeuwse natuurkundige en theosofische denker Swedenborg waardoor een beslissende ommekeer in zijn leven plaats greep. Van toen af aan voelde hij zich geroepen de leer van Swedenborg, die hij met zijn calvinistische achtergrond op een eigen wijze had verwerkt, in lezingen en geschriften te verkondigen. Religie betekende voor hem ervaring, beleving en inzicht en niet het aanhangen van dogma 's of steriele geloofsfeiten. Religie is naar haar oorsprong een existentiŽle beleving waarbij beslist wordt over de waarde of onwaarde van het totale menselijke bestaan. De nadruk die zijn vader op de beleving en bevinding legde bij zijn denken, vinden wij in de filosofie en psychologie van de zoon terug. Elke bezinning op het menselijke bestaan dient te gebeuren vanuit de onmiddellijk geleefde en doorleefde bestaanssituaties. Het streng vasthouden aan dit uitgangspunt maakt James tot een fenomenologisch denker avant la date. In ons land heeft de Utrechtse hoogleraar J. Linschoten dan ook een studie gewijd aan de psychologie van James onder de titel Op weg naar een fenomenologische psychologie.
Hoewel James in een van zijn brieven opmerkt dat hij zelf nooit een concrete godservaring heeft gehad, was hij toch diep getroffen door de religieuze bekering van zijn vader. Niet alleen gaf hij na diens dood zijn nagelaten geschriften uit, voorzien van een inleiding, maar ook de 'Varieties' schreef hij ter nagedachtenis van zijn vader. Het was een poging om de religie zoals hij deze in het leven van zijn vader als een levende realiteit ontmoet had naar haar wezenlijke structuur te begrijpen. Hij meende daardoor ook op het spoor te kunnen komen van de zin en de werkelijke bestemming van het menselijke bestaan in het algemeen. De oplossingen, die hij aangereikt kreeg uit andere wetenschappen, bevredigde hem niet.
Op 17/18-jarige leeftijd studeerde hij in Geneve, Parijs en Bonn. Op snelle en kritische wijze leerde hij de belangrijkste wijsgerige literatuur en wijsgerige stelsels kennen. Doch dit alles vond hij weinig bevredigend en hij besloot zich te gaan wijden aan de schilderkunst. Korte tijd werkte hij onder leiding van de schilder W. H. Runt in New Port. Hoewel hij ongetwijfeld schilderstalent bezat meende hij toch dat dit hem geen levensvoldoening zou schenken. 19 jaar oud ging hij medicijnen studeren aan de universiteit van Harvard. Na een paar onderbrekingen, o.a. een wetenschappelijke expeditie naar BraziliŽ onder leiding van de toen beroemde zooloog Agassiz en een studiereis naar Berlijn, behaalde hij in 1869 zijn doctorsgraad. Omstreeks deze tijd geraakt hij in een geestelijke crisis waarin hij twijfelde aan de zin van zijn bestaan. Hiervan geeft hij in deze studie onder pseudoniem een aangrijpend verslag (p. 106). Als medicus, die gevormd was door de denkbeelden van het 19e eeuwse medisch materialisme, beschouwde hij zijn depressieve toestand als fataal. De lectuur van de franse filosoof Renouvrier bracht echter een beslissende wending in zijn leven. Deze denker overtuigde hem dat de geest een actief beginsel kan zijn tot herstel. De mens leeft voortdurend in een spanningsverhouding tussen gedetermineerd zijn en vrijheid. Hij is door en door natuur en tevens door en door geest. In de hoofdstukken over 'Bekering', de 'Zieke ziel' en 'Religieus optimisme' houdt James zich bezig met de grote tegenstellingen in de menselijke belevingswereld. Hoe is het mogelijk de fatalitť en het ťlan, de continuÔteit en discontinuÔteit in het menselijk bestaan te verzoenen ? Zeer zeker niet vanuit een immanent filosofisch geloof. De mens is eindig en te begrensd wat zijn denken, gevoel en intuÔtie betreft om tot een funderende visie op zijn bestaan te kunnen komen. Er is evenwel een diep geloof in James dat deze wereld niet voor de duivel is maar voor God, maar het is moeilijk dit geloof in zijn volheid en zekerheid te doorleven. Wat voor Bonhoeffer in onze dagen een welhaast vast geloof is, was voor James een kwestie van voortdurende aanvechting: 'Gott gibt uns zu wissen, dass wir leben mussen als solche, die mit dem Leben ohne Gott fertig werden' (Widerstand und Ergebung).
Het is de bestemming van de mens, om op een of andere manier thuis te geraken in deze wereld. Het is echter zijn tragiek dat hij een thuisloze zwerver is. James heeft zijn gehele leven gehoopt ergens de geborgenheid te vinden, die hij bij zoveel echt religieuze figuren had waargenomen. De religiositeit van zijn eigen tijd kon hem daarbij niet steunen daar deze te zeer buiten het concrete leven functioneerde. Veel traditioneel geloof beschouwde hij als louter verbalisme, 'automatism throughout!' Hij zou gaarne instemmen met het bezwaar van Kierkegaard tegen de theologen, die deze beschouwde als schooljongens, die het antwoord van de levensopgave overschreven en menen zelf de opgave uitgerekend te hebben. In een rede over 'The energies of man', gehouden in 1906, schetst James de geestelijk en intellectueel verburgerde mens van zijn tijd. Hij zegt daar: 'Het gebrek aan vitaliteit, waaronder wij lijden kan verklaard worden door de wetenschappelijke psychologie. Het ontstaat door de remming, die het ene deel van onze voorstellingen op andere delen uitoefent. Het bewustzijn maakt lafaards van ons allen. De maatschappelijke conventies verhinderen ons de waarheid te zeggen, op de wijze van de helden en heldinnen van Bernard Shaw. Onze wetenschappelijke achtenswaardigheid houdt er ons van terug de mystieke zijden van onze natuur vrij te openbaren. Wij allen kennen mensen, die toonbeelden van voortreffelijkheid zijn en toch behoren tot het extreme filistertype. Zo dodelijk is hun fatsoen, dat wij over zekere onderwerpen niet met hen spreken, ja zelfs deze onderwerpen niet eens in hun tegenwoordigheid kunnen aanroeren. Ik heb onder mijn beste vrienden mensen, van wie het intellectuele leven onder de remming van een dergelijke respectabiliteit staat. Ik zou graag met hen vrij uitspreken over zekere vragen, die mij interesseren, over zekere schrijvers als b.v. Bernhard Shaw, Edward Carpenter, H. G. Wells of Chesterton, maar het gaat niet, zij voelen zich al te onbehagelijk daarbij en ik moet zwijgen. Slechts weinigen kunnen een levend verkeer met 'God' onderhouden. Maar velen van ons weten wel hoeveel vreugdevoller en krachtiger in vele richtingen ons leven zijn zou als zulke belangrijke vormen van energieverhoging niet onderdrukt werden.' Heftig polemiseert James tegen het geÔnstitutionaliseerde geloof: de God als product van een cultuurpatroon. Van de grote religieuze figuren als Luther en Pascal leerde hij hoe de zin en zinloosheid van het bestaan correlaat is met de betrokkenheid op God en het goddelijke. Maar hij leerde tevens van hen dat de ontmoeting van de mens met God niet een vanzelfsprekende relatie is. Zo tekent hij dan ook protest aan tegen een natuurlijke godskennis. Alle thema's, die zo kenmerkend zijn voor de hedendaagse bezinning op het religieuze aspect, vinden wij reeds bij James uitgewerkt. De 'Gottesfinsternis' (Buber), 'De afwezigheid Gods in onze wereld' (Maritain) en 'Het bittere raadsel van de goede Schepping' (Wending), zijn voor James existentiŽle belevingen, die voortkomen uit de verdwijnende religiositeit en de toenemende autonomie van de menselijke persoon, hoewel deze autonomie zeer betrekkelijk is en voortdurend bedreigd wordt door het Niets en de absurditeit. James schreef zijn studie over de religieuze verschijnselen nadathij een lange wetenschappelijke loopbaan als hoogleraar in de anatomie, fysiologie, psychologie en filosofie had afgelegd. De spanning tussen het natuurwetenschappelijk en het religieuze of geloofsdenken is in het gehele boek bemerkbaar. In een van zijn brieven merkt James op dat zijn boek wel te theologisch zal zijn voor de natuurwetenschappelijke denker en te natuurwetenschappelijk voor de theologisch geschoolde. In feite komt in deze uitspraak de dialogische openheid van James' denken naar voren om de werkelijkheid van verschillende standpunten te benaderen. Zij sluiten elkaar niet uit. Op welke wijze zij met elkaar verbonden kunnen worden blijft echter een open vraag. Wanneer James op 26 augustus 1910 overlijdt, laat hij een manuscript achter waarin hij de hoop uitspreekt nog eens zijn denken te kunnen afronden. Tot een gesloten systeem zou het echter nooit gekomen zijn daar James te zeer overtuigd was van de pluriformiteit der werkelijkheid. Het is echter de verdienste van James ons deze pluriformiteit te laten zien en ons te helpen bij de oriŽntatie in de onoverzichtelijke levenswereld.
 
G. J. OVERDUIN psych. drs.

1963


[Deze inleiding van drs. Overduin is opgenomen in de edities van 1963 en 1995. De inleiding is - geheel herzien, aangevuld en bewerkt door DaniŽl Mok - als biografische notie opgenomen in de edities 2003 en 2005. Deze compilatie (ed. 2003) is door de Biblionredactie als volgt gewaardeerd:
'Een verhelderende biografische levensschets is toegevoegd aan deze complete uitgave in de Nederlandse taal.'
In de druk van 2005 is tot onze spijt het woord 'compilatie' weggevallen en ook de bibliografische verantwoording liet wat te wensen over. De uitgever biedt hiervoor zijn excuses aan, zowel aan de lezers als aan de erven Overduin. In de volgende druk zal deze omissie uiteraard hersteld worden. Wij danken de  William James-adept Rein Gerritsen die ons op dit verzuim attendeerde.]


William James: The Varieties of Religious Experience; a study in human nature (1902), edited with an Introduction of Martin E. Marty, Harmondsworth, 1982
William James: Varianten van religieuze beleving, een onderzoek naar de menselijke aard, Zeist/Arnhem/Antwerpen 1963
William James: De varianten van religieuze ervaring, een onderzoek naar de menselijke aard, Utrecht 1995
William James: Vormen van de religieuze ervaring, een onderzoek naar het wezen van de mens, Amsterdam 2003

William James: Vormen van  religieuze ervaring, een onderzoek naar het wezen van de mens, Amsterdam 2005

 

 

William James



Voorjaar 2006 verschijnt

William James

De wil om te geloven

Hoewel James in dit geschrift ook het recht om te geloven bepleit, speelt de wil hierin toch een overheersende rol.

Vertaald door dr. A. Scheepers


   Search this site       powered by FreeFind

#