Voorbeelden |
|||||||||
|
|
Uit het instructieboek en het werkboek.Hieronder volgen een paar willekeurige hoofdstukken uit het rekenboek, van begin tot aan het einde. We beginnen bij het kind zelf en zijn omgeving. Het zijn oefeningen, die veel herhaald moeten. Leg een hoepel op de grond. Een stuk soepel touw in plaats van een hoepel is ook goed. Laat het kind in het midden van de cirkel gaan staan. U gaat naast het kind staan buiten de cirkel, in dezelfde richting kijkend als het kind. U doet de eerste keer alles buiten de cirkel mee en zegt wat het moet doen. Zeg: Stap uit de hoepel naar voren. Stap maar weer terug op je oude plaats. Stap uit de cirkel naar achteren, maar blijf naar voren kijken. Stap maar weer terug. Steek je linkerarm uit. Steek Uw linkerarm uit en zeg: ik wijs naar links. Het kind zegt en doet het na. Laat de arm weer zakken. Zet nu alleen je linkervoet buiten de cirkel. O.K. Zet je voet maar weer binnen. Steek nu je linkerarm uit. De hand wijst naar links. Waar wijst de hand naar toe? Naar de deur, het raam of naar de muur? Ga weer in de cirkel staan en draai een halve slag om. Steek je linkerhand uit. Waar wijst die hand nu naar toe? Ga weer in de cirkel staan en draai een kwart slag om (helpen met draaien). Steek je linkerhand uit. Waar wijst die hand nu naar toe? Ga weer in de cirkel staan en draai je een halve slag om. Steek je linkerhand uit. Waar wijst die hand nu naar toe? Als een kind zich nog vergist, herhaalt u de oefeningen een volgende keer. Op die manier laat u het kind ervaren, dat links of rechts niet de kant van de deur of het raam is, maar dat links en rechts in jezelf zit. Alsof er een denkbeeldige spil van top tot teen door je heen gaat. Pas als het kind goed weet wat links is, komt rechts aan de beurt. Dat is dan gewoon de andere kant. Oefen pas daarna links en rechts door elkaar. Oefen ook in de loop van de dag, als de situatie zich daarvoor leent. Bij een wandeling: Welke richting moet je nu inslaan? Moet je aan het eind van de trap naar links of de andere kant (rechts)? Moet je bij het kruispunt links, rechtdoor of rechts? Zit u met het kind in de auto? Laat het dan meekijken en vooruit meedenken. Waar moeten we van richting veranderen? Is dat naar links of naar rechts? Strik een bandje (horloge) om de linkerpols of doe een ringetje aan de vinger van de linkerhand.
Ik wijs naar links
Ik wijs naar links Bij het verdelen of splitsen gaan we uit van een vaste hoeveelheid die niet verandert. Gebruik weer de opzet-cijfers uit het werkboek. Zet het cijfer 5 neer. Leg onder de vijf recht naar beneden een lijn, een liniaal, een reep dun karton of een breinaald.
We beginnen met de hoeveelheid 5. 5 schapen (blokken, doppen, kurken, enz.) staan aan de rechterkant. Eén dapper schaap springt over het hek, hoepla! Zeg daarbij: 5 is verdeeld in één en vier. Terwijl het wordt uitgesproken ligt de linkerhand op het ene ‘schaap’ en de rechterhand op de vier andere.
Neem uit het werkboek het Knipblad Puzzel tot 5. Knip of snij de stukjes zorgvuldig los, want achterop zit een afbeelding. Laat het kind elk puzzelstukje pakken en laat het zeggen hoeveel boten, bomen of glazen limonade er op getekend staan. Je kunt de kaartjes sorteren. Leg alle bomen naast elkaar. Leg alle bomen onder elkaar. Maak een rij in volgorde van 1 naar 5. Maak een rij in volgorde van 5 naar 1. Doe hetzelfde met de andere afbeeldingen. Je kunt ook sorteren op de hoeveelheid: Leg de eenlingen bij elkaar Leg alle 2-tjes bij elkaar. Leg alle 3-tjes bij elkaar. Leg alle 4-tjes bij elkaar. Leg alle 5-jes bij elkaar. Heeft het kind genoeg geoefend? Dan gaan we de hele puzzel tot 5 maken. Sla nu het antwoordblad van de puzzel tot 5 uit het werkboek open. Laat het kind de stukjes van de puzzel één voor één in de hand nemen en 3 bomen op 3 bomen, 2 appels op 2 appels, vier glazen op 4 glazen leggen op het antwoordblad. Maak zo alle kaartjes op. Liggen alle kaartjes op het antwoordblad? Dan komt het grote toverwerk. Doe het werkboek voorzichtig dicht. Zorg, dat de kaartjes niet verschuiven. Leg nu uw eigen linkerhand onder het boek, uw rechterhand bovenop. Spreid de vingers zo ver mogelijk. Klem het boek goed dicht zodat de stukjes niet zullen verschuiven en draai het geheel voorzichtig om. Doe het werkboek weer open en bekijk de tekening aan de achterkant van de puzzel: ‘Het toverbos’. Dat is de beloning. Klopt de afbeelding niet? Haal de stukjes die verkeerd liggen er voorzichtig tussenuit en draai de puzzel weer terug op dezelfde manier. Leg de verkeerd gedane stukjes op de goede plek. Daarna nog een keer omdraaien om te kijken of het nu wel goed is. Berg na gebruik de stukjes op in een zakje of een doosje en bewaar ze voor een volgende keer.
Knipblad puzzel tot 5 (plaatje voor website in lage resolutie)
“Het toverbos”, de achterkant van de puzzel tot 5. (plaatje voor website in lage resolutie) 7. Categorie 5: 62 + 6 = 68 De tientjes veranderen niet, alleen het aantal eenheden verandert. De losse (de eenheden) die erbij komen maken geen nieuw tientje vol. Laat het begin intact. Wissel steeds van gegeven en van wat er bij komt, maar zorg dat de bijkomende losse geen nieuw tientje kunnen maken. Eerst de sommen in het echt maken met voorwerpen. Vergeet niet erbij te handelen en te praten. Dan pas de som opschrijven en het tientje kleuren. Voorbeeldsommen: 62 + 6 = 68 56 + 1 = 12 + 5 = 24 + 3 = 73 + 6 = 91 + 6 = 36 + 3 = 85 + 3 = 77 + 3 = 61 + 7 = 97 + 2 = 25 + 3 = Trek het tientje met een kleurpotlood precies over, zodat het getal goed zichtbaar blijft. De gekleurde cijfers zijn geen gewone drie en viertjes, nee, nee, het zijn dertigjes en veertigjes. Verzin zelf ook sommen van deze soort. Daaraan kun je zien, of je het goed begrepen hebt. 25 + 4 = 38 + 1 = 42 + 6 = 51
+ 7 = 65 + 4 = 73 + 6 = 84 + 5 = 92
+ 7 = 14 + 5 = 46 + 4 = 75 + 3 = 53
+ 4 = 36 + 3 = 81 + 6 = 77 + 2 = 61
+ 5 = 83 + 4 = 55 + 7 = 93 + 6 = 64
+ 4 = 44 + 5 = 66 + 3 = 72 + 8 = 35
+ 2 = 54 + 4 = 82 + 7 = 68 + 1 = 62
+ 7 = 81 + 6 = 36 + 3 = 27 + 2 = 14
+ 5 = 31 + 7 = 55 + 3 = 42 + 7 = 54
+ 4 = 22 + 5 = 37 + 2 = 55 + 2 = 46
+ 3 =
|
||||||||